Logboek

Het Logboek (de edities van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier niet meer terug te lezen) verandert 1 januari 2020 weer van een dag- in een Weekboek. Elke week schrijven over wat week maakt. Of zoals ik het tegenwoordig noem: ik ben in mijn leven onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt: met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger echter zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

-----

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 9 uur.

Week 15 - Carl Friedman

zondag 12 april 2020

Hij noemt het nooit bij de naam. Het kan Trebibor, Majdawitz, Soblinka of Birkenhausen hebben geheten. Hij spreekt van ‘het kamp’, alsof er maar één heeft bestaan. 
‘Na de oorlog,’ zegt hij, ‘zag ik een film over het kamp. Daarin zaten gevangenen voor hun ontbijt een eitje te bakken.' Hij slaat zich met de vlakke hand tegen het voorhoofd. ‘Een eitje!’, zegt hij schril.
Het kamp is dus een plaats waar geen eieren worden gebakken.

Veel meer nog dan een plaats is het kamp een toestand. ‘Ik heb kamp gehad’, zegt hij. Daarmee  onderscheidt hij zich van ons. Wij hebben waterpokken gehad en rode hond. En Simon heeft, nadat hij uit een boom was gevallen, wekenlang in bed gelegen met een hersenschudding. 
Maar kamp hebben wij nog niet gekregen.

Meestal laat hij voor het gemak het verleden deelwoord weg. Dan zegt hij: ‘Ik heb kamp’, alsof de toestand voortduurt. En eigenlijk is dat ook zo. Hij heeft nog steeds kamp, vooral in zijn gezicht. Niet zozeer in zijn neus of in zijn oren, hoewel die er groot genoeg voor zijn, maar in zijn ogen.


Zo begint Tralievader van Carl Friedman. “Friedmans optreden bij Sonja - dat moet de talkshow van Sonja Barend zijn geweest, de Matthijs van Nieuwkerk van de vorige eeuw - maakte grote indruk op mij; het is daarom dat ik je dit boek graag schenk”, schrijf ik (op 31 december 1991) voorin de eerste druk. Dan ben ik met C., dus ik denk dat ik dit boek aan haar cadeau deed en dat het na onze scheiding is blijven staan. 

 






Ik zie die opdracht weer als Hof van Jan (zie onder meer hier), een paar weken terug, een doosje aankondigt met daarin vier fraaie bundeltjes met gedichten. Eentje over die getraumatiseerde vader (Kikkerkoning), een over de vernietigingskampen (Heen en terug) en de andere twee over haar echtgenoot (Buitenstaander en andere gedichten) en haar zoon (Mene tekel). Ik ben opgetogen: eindelijk weer eens nieuw eigen werk van Carl Friedman!

Na elke avondmaaltijd moet hij zingen.
Langgerekte slavische vocalen
waaien op uit zijn herinneringen
over de tafels met geleegde schalen.
Gezang dat om hem heen geen mens verstaat,
destijds geleerd van vreemde lotgenoten
die weer worden vergast of in de rug geschoten,
terwijl mijn moeder borden stapelt voor de vaat. 
[1]






Nog voor de bibliofiele uitgave (honderd exemplaren, waarvan tien in bovenstaande bijzondere editie) hier in de bus valt, denk ik terug aan haar boeken en hoe mooi ik die vind. Ze staan hier dan ook nog allemaal in de kast: de novelle Tralievader dus, maar ook haar roman Twee koffers vol (1993) en De grauwe minnaar (1996), welke verhalenbundel zelfs is genomineerd voor de Europse Literatuurprijs. En ik houd erg van haar columns in Trouw, de krant waarvoor ik in de jaren negentig ook zelf schrijf, en later, vanaf 2002, in Vrij Nederland. Daarvan is een aantal gebundeld in Dostojevski’s paraplu (2001) en Wie heeft de meeste joden (2004). En ook staat hier Bijt me toch, bijt me!, de bloemlezing die zij in 2013 samenstelt voor haar uitgeverij, Van Oorschot, met daarin de mooiste dierenverhalen uit de Russische Bibliotheek. Maar tussen 2004 en 2013 en ook weer de laatste jaren is het erg stil rond haar. Ook dat ben ik niet vergeten.

Op ’t schuine pannendak geen vogelnesten,
maar wel een reeds op afstand zichtbaar kruis.
Daaronder wonen de Karmelietessen,
niet ver van borden met verdachte teksten – 
‘Trek hier uw kleren uit, u wordt ontluisd’
en: ‘Achte immer deine Vorgesetzten’ –
zeggen zij kalm hun missen en hun verpers.

De god van Birkenau heeft weer een thuis. 
[2]





Voor die stilte is namelijk een ernstige reden. In 2005 is Friedman inmiddels internationaal een beroemdheid en van haar boeken verschijnen vertalingen en verfilmingen. Binnen de literatuur ziet men haar, door haar thematiek en sobere stijl, als de Margo Minco van de tweede generatie oorlogsslachtoffers. In 1994 spreekt zij al op een congres in Florida over Holocaust-literatuur en in 2003 schrijft zij een bijdrage voor Nothing Makes You Free, een bloemlezing met literatuur van nabestaanden van Joodse overlevenden van de Holocaust. Ook in haar columns spreekt zij zich onophoudelijk uit als ervaringsdeskundige. Tot er ophef ontstaat over haar herkomst.

HP/De tijd onthult: zij is niet Joods en heet geen Friedman. Dat is slechts de achternaam van haar Joodse ex-echtgenoot David Friedman. Haar echte naam is Carolina Klop en zij komt uit een katholiek Eindhovens gezin. En die Joodse vader dan? Er is geen Joodse vader. Egbert Klop zat in het Tilburgse verzet en heeft na zijn arrestatie enkele maanden in de kampen Vught en Sachsenhausen doorgebracht. Daaruit is hij getraumatiseerd teruggekomen, dat wel. Maar toch… Onder anderen Max Pam en  Jessica Durlacher – dochter van Holocaust-overlevende Gerhard Durlacher, met wie Friedman zeer goed bevriend is geraakt – nemen het haar zeer kwalijk dat zij in interviews nooit heeft ontkend Joods te zijn. Of zoals Joost Zwagerman begin 2006 in NRC-Handelsblad schrijft: "Alles wijst erop dat Friedman in de greep is van wat wel heet 'het verlangen Joods te zijn’.” En Friedman? Die reageert nooit op de aantijgingen, maakt nog de domme fout te liegen dat zij wel een Joods grootmoeder heeft gehad en haar schrijverschap stokt. De columniste die zich zo sterk uitspreekt, heeft opeens geen geloofwaardige stem meer, al blijft zij erbij dat haar literaire werk wel degelijk op biografische feiten en niet op leugens is gebaseerd.

Er kwam weinig wind van de zee.
Wij stonden rechtop in het water,
jij in de jas van je vader,
ik zwanger en mager ernaast,
een beeld dat ik nog van verre
herken, maar niet meer kan verklaren.

Wel weet ik de straten erheen,
de stoepen, de smalle portalen,
een kind met een bal en een pet
alleen op een plein tussen hekken,
een man die gehurkt zat te slapen
bij een hond en een thermosfles.

Maar wij, hoe uit zo vele mensen
op aarde juist jij en ik samen,
waartoe wij daar waren, getwee,
waarschijnlijk van ergens een tafel
die wij deelden, uit blijkbaar een bed
opgestaan en gegaan naar de kade,

het is een verhaal zonder tekst,
waarin de geringste gebaren
iets ontkennen dan wel beamen,
een toestand die ik moet raden:
had ik je lief, geen idee. 

Er was weinig wind en veel water. 
[3]


Het blijft stil tot misschien een enkele bibliofiele uitgave, zoals deze van Hof van Jan dus. Tijdens het lezen van de gedichten daaruit, vraag ik me de afgelopen week een paar keer af wat de reden kan zijn voor deze opleving. Niet een bijzondere datum of bijzonder jaar, want zij is van 29 april 1952. En dan is het maandag 30 maart en lees ik in NRC-Handelsblad dat zij op 27 maart, pas 67 jaar oud, is overleden aan een longziekte. Ach…

Slapen doet hij in het blind vertrouwen
dat ik, oppermachtig, hem behoed
tegen al wat tanden heeft en klauwen.
Wolvengespuis. Addergebroed.

Menend dat ik aan zijn zij zal blijven
tot de ochtend, moederlijk op wacht,
om de boze geesten te verdrijven
en hem los te kopen van de nacht.

Daarom is zijn rust zo ingetogen.
Daarom ademt hij zo vederlicht,
rimpelloos gesloten beide ogen,
onbewolkt het kinderlijk gezicht.

Staande bij zijn bed weet ik me schuldig – 
ik, die met de toekomst samenspan,
ik, die elke zucht van hem vermenigvuldig.
Morgen wordt hij wakker als een man. 
[4]


[1] Adagio, uit Kikkerkoning;
[2] Klooster, uit Heen en terug;
[3] New York, uit Buitenstaander en andere gedichten;
[4] Verraad, uit Mene tekel.

Archief 2020