Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 38 - [1/7] Cees Nooteboom: Op de langste weg...

zondag 20 september 2020

Op de langste weg liep ik, de weg
die nergens heen gaat. Spelonken, een leeg landschap
met kleuren van zand en van stro. Anderen liepen
met mij mee, vrienden, broers, geliefden

en steeds namen zij afscheid, sloegen linksaf
of rechtsaf, verdwenen als schimmen,
elk voor zich eenzaam. Ze keken niet om, ze
kenden hun doel, ze trokken rechte lijnen

in de leegte. Ik zag ze gaan, de mensen
van mijn leven, ze liepen langzaam uit mijn
en hun eigen bestaan. Ik bedacht ze zo lang
ik ze nog zag, hoorde van ver nog hun stemmen,

geluiden van lucht.

2020


Hij is van 31 juli 1933, dus inmiddels 87 jaar. Auteur, al sinds 1954. Componeerde in die ruim 65 jaar een groot oeuvre: romans, gedichten, reisverslagen, vertalingen… Hij heeft een prachtige nieuwe poëziebundel gepubliceerd, getiteld Afscheid. Ondertitel Gedicht uit de tijd van het virus. 







Cees Nooteboom begon najaar 2019 aan zijn nieuwe bundel op het Spaanse eiland Menorca, waar zijn vrouw (fotografe Simone Sassen) en hij de helft van het jaar (van de lente tot de herfst) wonen. Inspiratie: de natuur op dat eiland, inclusief de eigen tuin. Uit het nawoord:
Hoe gaat dat met een dichtbundel? Je bent in een tuin begonnen, wat er beschreven wordt zijn mediterrane planten, maar wat er tevoorschijn komt zijn gedachten over de oorlog, beelden uit een ver verleden dat nooit is verdwenen.

En weer verschijnen de blijvende beelden,
goedgeklede mensen die op reis gaan
op zoek naar een coupé die er niet is, de
volgende halte armageddon, een werelddeel

zonder tijd. Daarnaast uniformen met
andere sterren, glanzende laarzen
op het ijs van de dood. Er is niets
geheimzinnigs aan dit alles.

Iedereen uitstappen! Ook het meisje
tussen de deuren, laatste blik op de wereld
perron met een man in het grijs,
een boom in de verte

ziet alles.


Nogmaals het nawoord:
En dan neemt het gedicht nogmaals een eigenzinnige wending, er verschijnt iemand, of liever, plotseling komt er iemand tussen, je krijgt een map met tekeningen in handen die op een vreemde manier, en misschien alleen voor jou, rijmen met een voorsocratische tekst van Empedokles die je eerder, nog voor het gedicht er was, al had genoteerd, maar waar je nu door de pandemie ineens niet meer bij kunt, en omdat poëzie soms naar willekeur handelt, gaan de hoofden die op deze tekeningen zijn afgebeeld een geheimzinnige verbinding aan met die regels van Empedpokles […], ze onderbreken de meditatie en […] sturen ze het gedicht een andere kant op.

Hoeveel levens gaan er in een leven?
Hoe vaak is hetzelfde hoofd iemand anders?
Duwt de moordenaar de minnaar voorbij
of verzint een ander raadsel?

Sprookjes heeft hij verzonnen, bij alle
hoofden een leven bedacht, als zij hem niet
zagen heeft hij ze bekeken. Sopranen zongen
in de verte terwijl hij naar ze tuurde.

De hoofden die hij gemaakt had, die
hem niet wilden kennen, vreemdelingen,
lotgenoten uit een ander bestaan
met wie hij niets wilde delen

behalve de angst.


Op Menorca werd hij ziek en lag voor het eerst in zijn leven in het ziekenhuis. Geen Corona, maar een huidirritatie en verstopte aders. Na vijf opnames besloten zij af te reizen naar een privékliniek en vervolgens een ziekenhuis in München, waar hij is geopereerd. In een huis van vrienden in Zuid-Duitsland, waar zij elk jaar oud en nieuw doorbrengen, schreef hij de bundel af. Als hij beter hersteld is, kan hij weer naar zijn huis in Amsterdam.

Het nawoord:
Intussen ben je ook zelf in een ander land aangekomen, maar het geheimzinnige virus dat ineens de wereld beheerst heeft ook hier het leven veranderd, het zou vreemd zijn als het gedicht zich daar niets van aan zou trekken, in de grote stad waar je tijdelijk was zijn de brede straten ineens leeg, je ziet een poster waarop staat hier begint het hiernamaals, nu lijkt het of de werkelijkheid zelf aan het gedicht mee wil schrijven, je trekt je terug in een omgeving van stilte en noordelijke landschappen, het gedicht neemt je wee aan de hand en gaat terug naar die maanden geleden en ergens anders in een wintertuin geschreven eerste regels, het einde van het einde, wat kan dat zijn?


Verdriet heeft maar een dimensie,
daarin is alles verborgen, een oogopslag
nooit vergeten, rouw en extase, ogenblikken
van liefde en vriendschap, een knikker

vol kleuren die langzaam wegrolt
tot over de rand van de speelplaats
waar niets wordt bewaard, alles ooit
samen een leven. Wat had je willen

bewaren? Het geluid van een stem,
de herinnering van een schouder, een
hand, de kleur van haar ogen, de geur
van een lichaam, voor altijd

vervlogen?



Beeld: Franky Verdickt 



Drie afdelingen met, net zoals in Monniksoog, steeds elf gedichten van dertien regels: drie kwatrijnen en een losse slotregel – meestal een frappe of pointe. Thema, zoals zo vaak bij Nooteboom: een reiziger in zijn isolement in de grootse natuur. Maar deze keer raakt die reiziger, door Corona, niet in een zelfverkozen, maar verplicht isolement en dat vertaalt zich in de gedichten. 
In dat gewenste isolement (afdeling 1) duikt de dichter al vaak diep in zijn verleden door beelden op te roepen van de Tweede Wereldoorlog; hij was pas zeven jaar toen die begon.  

In de tweede afdeling staat die map met tekeningen centraal: vervreemdende hoofden van de Duitse schilder Max Neumann, met wie het boek Zelfportret van een ander maakte, dat nu, als Self-Portrait of an Other, in Engelse vertaling is verschenen. Dat zal er de reden van zijn geweest dat hij die tekeningen weer in handen kreeg.

De derde afdeling is stilmakend mooi. Over wat alle rechtop lopende wezens te wachten staat, gaat het: het wordt stiller om je heen, herinneringen aan mensen en gebeurtenissen – een mooie verwijzing naar de eerste afdeling – dringen zich op en van het onvermijdelijke ben je je steeds meer bewust. 

Nu is stilte
de rest van de afstand
zonder herinnering 
geen leven.

Ik hoor mijn passen
niet meer,
wat mij omgeeft
is verborgen.

Blind loop ik verder, een vale hond
in de kou. Hier moet het zijn,
hier neem ik afscheid van mijn zelf
en word dan langzaam

niemand.

Archief 2020