Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 49 - 344. F. Harmsen van Beek: Goed begrepen!

dinsdag 10 december 2019

Opdracht aan mijn dooie hond


Als je
weerkomt, indien je: ik stuit de wateren, de sluizen
stut, indien en domp ik de wind! Zo. Droog, Snel en

Niet omzien, het Diep van Aduard Oversteken; recht van
uit je graf in Tandartsebosje draafje Losjes, Onverschillig

liefst, naar het land van Pon. Waar ik je opwacht bij 
de brug indien, een blinkende kluif in elke hand, je me

terug keert. En verdrijf het gehoornde vee aldaar, die
olle halfheilige treiterborsten, met behulp van Pan.

(Omkopen met druiven denk ik. Fluiten? Gooien met kikkers.
Misschien.) En noem je namen, O Lipoe m'n Pootjesslang:

'Sierlijke Reigersbek, Steelse Gep, Fluwelia, Schele
Puiloog en Hondester', o Onberispelijke, herken je me dan?

'Ai vlug dus, vraag Orion verlof nu! Wat maakt die spat
hem op zijn twinkelende eeuwigheid! Zijn kennels puilen

uit van sterren, zijn velden zijn ermee bedauwd, hij
stoft ze van zijn jagerslaarzen, bij bossen, rivieren

vol, op bergen stapelt hij de speelse zielen, Alle
Jachthonden! Hij mist je niet en wat dan nog: voor eventjes?

Als de wind dus! nu alsdewind, voordat ikzelf vertrokken
want daaromtrent allesbehalve rustig ben, dus hopsa, kom

en vlùg nu waarachtig, ik kan en wil niet langer, te
wachten ach, en wat me daarna staat

1975


Adriaan van Dis (NRC-Handelsblad, 21-5-1984 over de Vierde Belgische Poëzienacht):
Voor ze op moet bladert ze gejaagd door haar bundels. ‘Welke zal ik doen, die van die dooie hond en die van die dooie haas en ook die van die oude verloofde? Of is dat te cru? Ze vraagt mij bezorgd of het publiek wel stil zal zijn. ‘Als ze boe roepen loop ik weg. O, had ik mijn stampschoenen maar aan, met deze hakken hoor je niks.’ Vijf over twaalf loopt ze in het licht van de schijnwerper. De haren gekruld door een regenbui, het lijf springerig; ze gaat erbij zitten als een oude dame en ze leest als een prinses. De zaal is stil. Een lawaaierige gek krijst ergens achterin. Ze blaast en grauwt naar de zaal. Wat leest ze mooi over haar dode windhondje, die ze uit de sterrenkennel terug wil halen naar haar streek in het noorden. Vier van die verzen maakt een hele trits zweempoëten verdraaglijker. 

Lees hier verder.

Archief 2019