Beeldgedicht


Panelen op dibont van 1.90 x 1.20 m

Vervaardigd in samenwerking met het Bossche communicatiebedrijf Blue Dragon (voorheen Ambitions).

Frank Verhallen kiest daarvoor een favoriet gedicht uit de Nederlandstalige poëzie of hij schrijft er zelf een!

Het beeldontwerp is sinds 2017 in handen van Esther Viola; Frank Hoevenaars tekent, namens zijn bedrijf Sign,vanaf het begin voor de uitvoering.


Beeldgedicht 1: Martinus Nijhoff

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen, 
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het gechreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Martinus Nijhoff, 1934

Beeldgedicht 2: Gerrit Kouwenaar

Ik heb nooit

Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

ondertussen beet de kou mij
was de zon een dag vol wespen
was het brood zout of zoet
en de nacht zwart naar behoren
of wit van onwetendheid

soms verwarde ik mij met mijn schaduw
zoals men het woord met het woord kan verwarren
het karkas met het lichaam
vaak waren de dag en de nacht eender gekleurd
en zonder tranen, en doof

maar nooit iets anders dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

het regent ik drink ik heb dorst

Gerrit Kouwenaar, 1958

Beeldgedicht 3: Rutger Kopland

Lijsterbessen

De dichtkunst beoefenen is
met de grootst mogelijke zorgvuldigheid
constateren dat bijvoorbeeld 
in de vroege morgen
de lijsterbessen duizenden tranen dragen
als een tekening uit de kindertijd
zo rood en zo veel

Rutger Kopland, 1966 

Aan de achterzijde van De Stroomwaard, aan de Giessen, hangt dit beeldgedicht: Lijsterbessen, van Rutger Kopland. 
Een matglazen wand (220 x 150 cm) met het gedicht erin gegrafeerd. 

Juli 2013 verdween de Poëzieserre van Boekhandel Heinen te 's-Hertogenbosch en daardoor was er daar geen plaats meer voor dit paneel. Medewerkster Dianne van Abeelen en voormalig directeur Ton Meulman en zijn vrouw Ineke benaderden Frank Verhallen met de vraag of hij zich erover wilde ontfermen. Een hele eer. 
 

Beeldgedicht 4: Frank Verhallen

Kieri

Je was half zo oud als je werd en je was kwijt.
Een uur lang wrong de vrees: nu is dus alles over.
Vandaag herinner ik me m'n wanhoop en doof er
't besef mee hoe je opgaat in voorbije tijd.

Opeens was je er weer. Vrolijk, want tegenover
mijn opgekropte woede, angst stond jouw bereid-
heid dit ogenblik aan te zien als futloos feit.
Een dier als jij leeft liefst als mooi-momentenrover.

Toch is er toen, op die namiddag, iets gebeurd,
waardoor wij ons veel beter tot elkaar verstonden:
je genas zelfs van wat jouw vroegste jeugd verwondde

en gold sindsdien als allertrouwste Hond der Honden.
Ook nadat jouw lief lijfje dof en stram verkleurt.
Zelfs nu jouw leven wreed van ons is afgescheurd.

Frank Verhallen, 2015

Beeldgedicht 5: Ed Leeflang

Gedrag

Iemand laten wachten op een hoek 
een jaar of twaalf, iemand de wind 
uit de zeilen nemen, die wind verkopen
aan de eerste de beste, iemand je 
reservehart schenken, iemand geen 
verdriet gunnen, maar wijzen op  
zonlicht, boeken, boterbloemen,  
het dan opgeven, iemands angsten 
verklaren, iemands dromen in een 
aanrechtkast bewaren, iemands band 
niet oppompen, iemands verleden in- 
lopen zonder kloppen, iemand liefhebben 
om wat iemand had kunnen zijn, 
allemaal water in dezelfde wijn.

Ed Leeflang, 1979

Beeldgedicht 6: Judith Herzberg

Vraag

Hoe is dat zo geworden
Van altijd blijven slapen
Tot nooit meer willen zien?

Judith Herzberg, 1968

Beeldgedicht 7: Frank Verhallen

De Stroomwaard

We wonen in kamers van ’t Groene Hart.
d’ Alblasserwaard, ’t is er laag, vlak en groots.
De tomen ganzen hebben iets devoots;
gakgelucht geluk als daag’lijkse start.

We wonen aan die Middeleeuwse dijk,
de Buitendams, waaruit dit dorp ontstond.
Groen en nat en zeer religieus de grond.
Wat voelen wij ons daar toch hemels rijk.

We wonen aan die oude veenrivier,
de Giessen, die er ook al eeuwen stroomt.
De natuur toont zich ‘r steevast onbetoomd.
Wij twee zijn zo immens gelukkig hier.

We wonen in dit huis, met steen van lei. 
De naam, de Stroomwaard (die is ambigu),
met dieren en dochters leven w’ in het nu;
recht de rug gekeerd, d’averij voorbij.

Er was een tijd dat we je moesten dromen,
liefde; wat fijn dat jij weer zo mag stromen.

Frank Verhallen, maart 2019