Logboek

Het Logboek (de edities van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier niet meer terug te lezen) verandert 1 januari 2020 weer van een dag- in een Weekboek. Elke week - een enkele keer iets vaker - schrijven over wat week maakt. Of zoals ik het tegenwoordig noem: ik ben in mijn leven onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt: met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger echter zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2020 (deel 1: A t/m G, deel 2: H t/m Ldeel 3: M t/m R, en
deel 4: S t/m Z), 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en (enkele van) najaar 2016.

-----

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 9 uur.

Week 28 - 47. De hond die overstak

zondag 12 juli 2020

Veel mensen in de verhalenbundel De hond die overstak vechten tegen zichzelf, maar nog meer tegen anderen. Het zijn einzelgängers die aan zelfoverschatting lijden, opportunisten die zich buitenspel wanen of roekeloze bankzitters voor wie vluchtgedrag een manier van overleven is. Er zijn natuurlijk veel meer kwalificaties te bedenken – 'idioot', 'mannetje', 'flapdrol' – maar je kunt ook overdrijven. Er zijn ook nog de hopeloze naïevelingen of de sluwe weldenkers, die zich noodgedwongen in moeten laten met deze lieden. De kracht van deze verhalen is ook dat ze zich afspelen tegen de meest alledaagse decors. Dat kan een portiekflat zijn, maar ook een kantoor of een stadsbus. Verhalen die schuren en scheuren, op weg naar het demasqué.

 






Wie Tzum volgt, leest natuurlijk ook de boeken van de auteurs van dat literair weblog. Die verschijnen binnen de Tzum-reeks van Uitgeverij Kleine Uil. Slecht – lees goedkoop – geproduceerd, maar niet duur en te boeiend om nieuwe delen niet meer te verwelkomen. 

Zojuist verscheen deel 14, De hond die overstak, met tien verhalen van Jaap Krol (1970 ) en met het titelverhaal als absoluut hoogtepunt. Boven de afbeelding de aanbevelingstekst van het achterplat. Ter gelegenheid van de uitgave interviewde John Schoorl (de Volkskrant, 15 juni) de in Groningen woonachtige Friese schrijver, die al twintig jaar, meestal 's ochtends van zes tot tien uur, werkt als vakkenvuller bij de IKEA in zijn woonplaats. Zowel de bundel als de kennismaking met de auteur vind ik bijzonder en verrassend.

Een paar citaten uit dat interview:
Over het werken bij de Ikea kun je zeggen dat het saai lijkt, maar dat hij het niet saai vindt. Hij hoeft er niet bij na te denken, en dat bevalt hem wel, en als het af is, is het af. Dan fietst hij naar huis, en begint aan de schrijverij. Als je schrijft dan hoor je nergens bij, maar als vakkenvuller hoor je bij een bedrijf. [...]

Voor een schrijver zoals hij komt werken bij de Ikea bovendien goed van pas. Er valt veel te scannen, scannen naar verhalen, en naar vele soorten mensen die zich laden met problemen, die niet uitgesproken problematisch zijn maar dat zomaar kunnen worden. Dan ziet hij goedwillende mensen door de winkel sjokken, en dan bedenkt hij er van alles bij. Zo van, een vrouw die iets heeft iets gekocht, er ligt iets in haar wagentje. Ja, en dan komt ze thuis, en dan vindt hij het niks, maar hij zegt het niet, en zij voelt het wel. Zoiets blijft dan hangen in het huis, en kan zomaar een groot gevecht worden, om een badmat of een geurkaars.
Er was ook een zomer dat hij in de keukenploeg van Ikea zat, de hele dag afwassen, zwaar werk, maar hij liep er wel tegen een mogelijk verhaal aan. Zijn collega was een voormalige bodybuilder, die vaak over God sprak, terwijl de dienbladen met half afgekloven snacks of kippenborst ritmisch voorbijtrokken.
Krol vindt zulke onbedoelde contrasten aangrijpend mooi, en bijkomend voordeel is dat hij het geestig en zo precies mogelijk weet op te schrijven. Hij vindt zelf dat hij snel to the point kan komen, als schrijver. Hij houdt van schrappen, hoe bondiger het wordt, hoe beter. Dat langdradige hoeft niet van hem, een verhaal kan zomaar verzanden. Hij leest liever tien krachtige korte verhalen, dan één middelmatige roman.
Als je vraagt wat een verhaal van hem zo krachtig maakt, dan is er even een diep gepeins, maar dan komt het: hij streeft ernaar personen in een verhaal op te zadelen met een schuldgevoel. Ze maken altijd een fout waar ze mee moeten dealen, en komen daarmee in de knel. Hij heeft met zijn hoofdpersonen te doen, want ze hebben niet om het leven gevraagd. Ja, hij voelt mededogen, zo oprecht als maar kan. Dat is een bewuste strategie in zijn werk, want je personages laat je niet vallen, die moet je aan de hand meenemen, zodat ze zich kunnen herpakken.


Beeld: Eva Roefs



Je kunt zijn personages slachtoffer noemen van hun eigen passiviteit. Hij durft te zeggen dat hij daarin sterke verwantschap voelt met zijn personages. Hij is zelf nogal passief en staat als mens graag langs de zijlijn. Een beetje stuurs en stoïcijns voor zich uit staren, daar heeft hij geen hekel aan. Niet dat hij een echte buitenstaander is, want hij heeft wel vrienden, en een vriendin. Maar hij heeft wel keuzes gemaakt die hem buiten het gewone leven plaatsten, omdat hij zich niet toereikend achtte daaraan mee te doen.
Dat komt, en het is niet anders, omdat hij nogal een stotteraar is. Hij heeft daardoor niet altijd zin zich te verhouden tot anderen.  Met dat stotteren zit hij altijd te hannesen en te ploeteren, het maalt maar door in zijn hoofd. Tussen zijn oren heeft zich daarom het idee genesteld dat hij zichzelf niet in staat acht risico’s te nemen.
Hij is een schrijver geworden, omdat hij stottert. Negen van de tien zinnen die hij nu uitspreekt deugen van geen kant – vindt hijzelf. Maar gaat hij schrijven, dan komt het precies eruit zoals hij het bedoelt. Schrijven is een hele sterke uitlaatklep, niet voor frustraties, maar om te kunnen vertellen zonder dat hij rekening hoeft te houden met zichzelf of anderen. Het duurde wel even voordat hij in de gaten had dat hij kon schrijven. Man, het is allemaal shit, dacht hij. Maar dan kwamen er mooie reacties van lezers of redacteuren, althans het werd niet afgekeurd, en dan ging hij er maar mee door. Ja, zo is hij dan ook.
Zijn verhalen spelen zich altijd af in Drachten, behalve als ze zich afspelen in Groningen, in van die nieuwbouw uit de jaren zestig. Het huis is niet oud, maar je moet het wel in de gaten houden. De mensen wonen boven op elkaar, en de kans dat het misloopt, hangt altijd in de lucht. In Drachten heeft hij gewoond tot zijn derde, maar het is nooit meer uit zijn hoofd weggegaan, terwijl er geen enkele reden is om daar in gedachten te blijven.
Het klinkt gek maar er is altijd Drachten voor Jaap Krol. Als hij een boek leest van een Duitser, Nederlander of een Zuid-Amerikaan, heeft hij altijd het gevoel dat het zich afspeelt in Drachten. Jonathan Franzens boeken? Drachten. Ian McEwan? Helemaal Drachten. Gabriel García Márquez? Eerst zijn ze in de jungle en daarna in Drachten. Hij noemt het zelf behoorlijk maf, maar het zit hem bij het lezen niet in de weg. Drachten hoort bij zijn leven. Zelfs The Beatles – zijn favoriete band – komen niet uit Liverpool maar uit Drachten.

Hij heeft er wel over nagedacht om zichzelf op te pakken, en naar werk te zoeken met meer verdieping, dan dus dat vakkenvullen bij de Ikea. Zo groeit in hem het idee om voor de klas van een basisschool te gaan staan, dat stotteren krijgt ’m niet klein, gewoon, huppetee aan de slag. Dat idee: Kom op Jaap!Zover is het nog niet, en de inspiratie die hij in Ikea opdoet, zou hij ook voor geen goud willen missen, en dan heeft hij het niet alleen over de mensen. Denk eens aan zo’n hele lege hal, dat je daar loopt als lid van de avondploeg, magisch toch. Buiten is het donker, de stad is stil, alleen het geluid van de trucks. Dan heeft Jaap Krol het gevoel dat hij in het oog van de storm zit, dat is een grootst gevoel...

Archief 2020