Logboek

Het Logboek (de edities van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier niet meer terug te lezen) verandert 1 januari 2020 weer van een dag- in een Weekboek. Elke week - een enkele keer iets vaker - schrijven over wat week maakt. Of zoals ik het tegenwoordig noem: ik ben in mijn leven onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt: met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger echter zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2020 (deel 1: A t/m G, deel 2: H t/m Ldeel 3: M t/m R, en
deel 4: S t/m Z), 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en (enkele van) najaar 2016.

-----

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 9 uur.

Week 23 - 39. Onze grootste levende literator

zondag 07 juni 2020

 

Wat heb ik mooie uren beleefd aan maar liefst drie, nagenoeg gelijktijdig verschenen boeken van Jeroen Brouwers, onze grootste levende literator. Van Bezonken rood verscheen de vijftigste druk en dat was voor de uitgeverij aanleiding voor een prachtig ontworpen gebonden bibliofiele versie (halflinnen, rood op snee) met voor het eerst een, los bijgevoegd, nawoord. Titel daarvan: Eenmalig nawoord. Daarin gaat Brouwers uitgebreid in op de destijdse kritiek van één persoon: Rudy Kousbroek.

Bezonken rood werd meteen onthaald op unaniem enthousiast-lovende recensies, totdat vanaf begin januari 1982 enige tegenstemmen opklonken, aangezwengeld door de bijvoegselgoeroe van NRC-Handelsblad, Rudy K (1929-2010).
Jaar in jaar uit zou deze, bij iedere hem geschikt geachte gelegenheid opnieuw, zijn gal en grieven over het boek en over mij, de schrijver ervan, blijven uitspuwen, tot op zijn sterfbed aan toe, dit vertelde Remco Campert in een interview. In deze bijzonder editie van mijn roman laat ik na zijn naam voluit te noemen, het moet maar eens uit zijn met de misstand dat zodra de titel Bezonken rood wordt genoemd de naam K er welhaast automatisch bij te pas wordt gebracht. 




In Aan een karakter. Brieven aan Jeroen Brouwers refereert Maarten ’t Hart aan die kwestie. De bundel, waarin 26 schrijvers (als Désanne van Brederode en Tom Lanoye) en andere kunstenaars (als acteur Jan Decleir en fotograaf Stephan Vanfleteren) hem eren, verscheen ter gelegenheid van Brouwers’ tachtigste verjaardag, op 30 april.

Eén van de redenen waarom er tussen ons sprake is geweest van verwijdering […] is dat jij met groot wantrouwen vervuld was ten aanzien van mijn vriendschap met je grootste vijand in Nederland: Rudy Kousbroek. […] Rudy bezag al mijn literaire activiteiten met argusogen. Kwam ik daar […] dan werd mij daar in niet mis te verstane bewoordingen de les gelezen. Onophoudelijk kreeg ik daar te horen dat ik onverwijld moest stoppen met het schrijven van romans. Daar kon ik helemaal niks van, al wat ik op dat terrein produceerde was tinnef – op z’n best waren het meesterwerken naverteld door een schooljongen en het gaf domweg geen pas dat ik daar maar steeds mee doorging. […] 
Rudy kon het volgens mij niet hebben dat ik rijk werd van mijn romans, hij wou mij terug aan de bedelstaf, hij misgunde mij mijn royalty’s. Dus mocht je denken dat er sprake was van een innige vriendschap, dan zit je er toch helemaal naast. Ik was uiterst behoedzaam in de omgang met Kousbroek, ik heb vanaf dat hij zich op de Lange Mare vestigde tot zijn dood op eieren gelopen. Jij kwam uiteraard wel eens ter sprake als die, volgens Rudy, briesende querulant uit Belgisch Brabrant, en als hij je zo betitelde zei ik altijd dat Zutendaal volgens mij in Belgisch Limburg lag, maar echt tegen jou opzetten, daar was geen sprake van.


Beeld: Stephan Vanfleteren



 
 

Niet over zijn eigen werk en niet over door anderen opgehaalde herinneringen aan des schrijvers bestaan is de roman Cliënt E. Busken, waarin Brouwers één dag in de huid kruipt van een man (ik citeer de flaptekst) vastgegord in zijn rolstoel, op de gesloten afdeling van een instelling waar hij tegen zijn zin verblijft en denkt, piekert, maalt en bedoelt. 
Het kan niet anders of dit is Brouwers’ laatste roman. Die beschrijft het leven van de zieke, breekbare oude man die hij in het boek soms zelf is (uit zijn vroegste jeugd klinkt de couleur locale van het jappenkamp uit Bezonken rood door), maar veel vaker helemaal niet. Wie E. Busken wel is geweest, komen we niet te weten, want zijn herinneringen zijn troebel. Hij was naar eigen zeggen (onder meer!) latinist, robotingenieur, hoogleraar en dartskampioen, als wetenschapper promoveerde hij drie keer, hij kwam in aanmerking voor de Nobelprijs en was bevriend met grote auteurs en somt nog veel meer wapenfeiten op – o ja, vader van een dochter is hij ook nog, al weet hij dat niet helemaal zeker, want waarom ziet hij haar dan nooit? 
Gezet zonder uitlijning rechts, waardoor de zinnen steeds afbreken net zoals zijn herinneringen afbrokkelen. Opgetekend zonder aanhalings- en sluittekens, waardoor vragen en opmerkingen van anderen steeds opgaan in zijn eigen gemijmer. En geformuleerd in zinnen zoals alleen Brouwers die zijn personage toe kan dichten. Gedachten die de man nooit uitspreekt overigens, want bij zijn opname heeft hij besloten er het zwijgen toe te doen en daar houdt hij zich aan – nee, hij geniet er zelfs van! Hij voelt zich boven iedereen verheven – hij, de hooggeboren zeer geleerde heer E. Busken Esq., opgesloten in een rariteitenkabinet te midden van kinds brabbelende kleuters en dienstverlenend pluimvee.

Ik snak naar een sigaret, ik heb er nog twee, een voor nu meteen en de tweede, de laatste, voor meteen erna in de hier zo genoemde rooksalon, een constructie van gegolfde ijzeren platen op palen, aan alle zijden toegang biedend aan regen, wind, hitte en vrieskou, waar men het genotmiddel alleen staande kan savoureren bij ontstentenis van zitaccommodatie, zij het dat gebruik van een rollator mogelijk is om erop te leunen, niet om er ontspannen zittend op plaats te nemen, naar ondervinding heeft uitgewezen, wat daarentegen wel weer kan, met de benen over elkaar indien men dit verkiest en ze niet met riemen aan het geraamte zijn verankerd, in een rolstoel, waarna men wordt geacht de opgerookte peuk met de hand of de voet door een rooster over een gat in de grond te mikken, niet op het rooster, of ernaast, maar erdoorheen, terwijl de peuk aandachtig dient te zijn gedoofd opdat hij de eerder in het gat gedumpte sigaretteneinden niet met smeulende vonken opnieuw doet ontbranden, waar emmers water bij te pas moeten komen om een einde te stellen aan de gevolgen van zulks, en er uit de aldus ontstane peukenpap een vettige, stinkende, donkerzwarte rook zich over de ruimte verspreidt alvorens ten hemel te waaien.

En dat is één zin! Prachtige literatuur.

Archief 2020