Logboek

Het Logboek (de edities van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier niet meer terug te lezen) verandert 1 januari 2020 weer van een dag- in een Weekboek. Elke week - een enkele keer iets vaker - schrijven over wat week maakt. Of zoals ik het tegenwoordig noem: ik ben in mijn leven onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt: met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger echter zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2020 (deel 1: A-L en deel 2: M-Z), 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

-----

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 9 uur.

Week 16 - Koos Terpstra [2/3]

zondag 19 april 2020

Lees hier: deel 1.






Als ik Koos Terpstra voor het eerst ontmoet, is dat omdat we op een en dezelfde avond een inspeelvoorstelling van Eric van Sauers bezoeken. Beiden beroepsmatig, want hij is Erics regisseur en ik ben directeur van een theater waar Eric elk seizoen speelt. En beiden vriendschappelijk, want wat ons met Eric bindt, overstijgt het vak. Voor mij dan pas sinds kort; voor hem al veel langer

Als ik ’s avonds laat naar huis rijd – we hebben met Eric gegeten, naar hem gekeken en met hem nagezeten –, begrijp ik waarom Eric het vaak over Koos heeft en zo graag met hem werkt, zowel in het theater als voor de televisie, waar beiden al vanaf het begin, in 1996, de eindredacteurs zijn van Dit was het nieuws. Wat een bijzondere man, constateer ik; ben van hem onder de indruk. Ongeveer net zo oud als ik – Koos is dertien maanden ouder – maar naast theatervakman ook nog eens begeesterd, kritisch geëngageerd, breed geïnteresseerd, humoristisch – en nog wel meer eigenschappen die er in vriendschap toe doen. Ik sluit hem dan al in mijn hart. 

Wanneer dit is? Twintig jaar geleden. We blijven elkaar daarna met regelmaat zien. Dat is gemakkelijk te plannen, want dat komt vanzelf in ons werk; hij regisseert, behalve Eric namelijk ook andere theatermakers die bij mij spelen, onder wie Lebbis (met en later zonder Jansen), De Ploeg en Erik van Muiswinkel. En jonge makers, die me influisteren dat zij zo gelukkig zijn met de grote Koos Terpstra als regisseur op hun palmares. Soms is hij een programma of reeds een repetitiemaand later alweer uit hun theaterleven verdwenen. Niet door hun keus, maar vanuit de zijne. Hij stelt immers hoge eisen aan een samenwerking en wie daar niet aan wil of kan voldoen, valt onverbiddelijk af. Hij werkt niet met je om den brode, maar omdat de samenwerking ook hem moet inspireren. Zijn vriendschap ervaar ik geen moment anders. 

Hij nodigt me een dag uit bij het NNT (Noord-Nederlands Toneelgezelschap), waarvan hij vanaf 1999 tien jaar lang de artistiek leider is. In de Machinefabriek, hun Groningse thuishaven, woon ik de laatste repetities bij van de prachtige voorstelling die ik ’s avond zie. Ik ben ontroerd door de bevlogenheid en de saamhorigheid van het team: het wederzijds respect dat in de artistieke wereld vanzelfsprekend lijkt, terwijl er ook daar te vaak voetvegen en verhevenen samenleven. Wie ruimen na de voorstelling alles op? Iedereen, waaronder de spelers zelf! Koos heeft permissie gevraagd – niet geëist – omdat hij nog met mij wilde napraten.

Ik vraag hem dan al als gastdocent aan de Koningstheateracademie, waar de eendracht verder te zoeken is. Hij komt en ik ben er getuige van dat de lat die hij hoog legt maar weinigen uitdaagt eroverheen te springen; de meesten lopen er schaamteloos onderdoor. Net als het geval is met sommige andere jonge, reeds professionele makers dus, die zo graag met hem willen werken, maar de condities die daaraan zijn gesteld onvoldoende doorgronden.

Daar praten we vaak en uitvoerig over: talent, ambitie, overgave. Een studente die gaat afstuderen, wil Koos als haar regisseur. Ik raad het haar af, omdat ik vermoed dat ook zij met hem wil werken vanwege zijn theaternaam en –faam en niet vanwege een klik. Hij veronderstelt hetzelfde, maar nodigt haar toch uit om dat tenminste samen te onderzoeken. Na dat gesprek is zij zo van slag dat zij bijna met haar scooter verongelukt. Nee, hij bedankt ervoor om haar te regisseren. Want om er nogmaals die meetlat bij te halen: zij had zich maximaal voorbereid op een vraaggesprek waarbij hij haar tot haar enkels zou afzagen en rekende er niet op dat hij, in plaats van dat te doen, haar bij de strot zou grijpen.

In 1997 richt ik het Koningstheater op, ben opeens theaterdirecteur en stop als leraar Nederlands en, kort daarna en met dezelfde pijn in het hart, als theaterrecensent. Je kunt geen gastheer zijn voor theatermakers over wie je in een krant oordeelt. Een van beide petten, de afstandelijke of de dichtbije, past maar.
Als theaterdirecteur kun je niet meer vertrouwen op je hart: het met beleid programmeren en hartstochtelijk gastheren. Opeens moet het hoofd het meeste werk gaan doen: het voeren van personeelsbeleid, het schrijven van subsidieaanvragen en -verantwoordingen en… vergaderen, vergaderen, vergaderen… 
Als ik het even niet meer weet, wandel ik uren met Koos door het Bossche Broek, hij luistert nauwgezet naar mijn verslagen van onderhandelingen die ik met de gemeente voer en lacht me uit als ik steeds alleen maar negatieve emoties ventileer. Hij leert me dat onderhandelen een spel is waarvan ook is te genieten – alleen al door de ander zo nu en dan in een zijn zelf gegraven kuil te laten vallen. Zijn adviezen neem ik ter harte en dat helpt.

Ik beland, in 2004, in een zwaar gevecht met de gemeente als we moeten verhuizen van locatie. Koos ziet en hoort mij aan en adviseert na een aantal gesprekken: “Dit kun jij niet zelf; vraag een strateeg naast je die je helpt.” En voor ik de vraag kan stellen: “Nee, mij moet je niet hebben, dat werkt averechts; kies iemand die goed ligt bij de gemeente.” Dat doe ik, die komt er de gewenste oplossing eveneens.
In 2012 raak ik opnieuw in gevecht. Ik vind dat het Koningstheater te weinig erkenning krijgt van de gemeente. Ik wil waardering van de stad voor mijn presentaties. Koos, na weer zo’n wandelsessie: “Waarom zoek je opeens waardering bij anderen in plaats van bij jezelf?” Het helpt me een rigoureuze stap te zetten en te stoppen als theaterdirecteur.

In mijn privéleving maakt Koos van dichtbij zowel mijn scheiding als de komst van een nieuwe liefde mee. Zij is vijftien jaar jonger dan ik ben en als ik hem dat vertel, zegt hij: “Realiseer je wel, jij bent veel ouder en kijkt al achterom; zij is nog jong en wil volle kracht vooruit. Dat kan je lelijk opbreken.” De enige keer dat ik slecht naar hem heb geluisterd – alhoewel, ik heb het altijd onthouden, maar was toentertijd te verblind om ernaar te kunnen handelen. Verblind dus, maar Koos' blik aan het einde van een etentje bij Eveline en hem thuis staat ook nog op mijn netvlies.

Die Koos. Van wie ik zijn, samen met Nhung Dam geschreven Bertolt Brecht-voorstelling niet aan Den Bosch verkocht krijg en het gemak niet begrijp waarmee men zo’n bijzonder project terzijde schuift.
Die Koos. Die ervan houdt anderen te verrassen. Die zijn beste vrienden kan zeggen dat zij op een bepaalde datum en tijd klaar moeten staan, dan drie dagen moeten vrijhouden in hun agenda en niet moeten vergeten hun paspoort en warme kleren mee te nemen. 
Die Koos. Die tussen diner en aanvang voorstelling met je langs een haven kan lopen en zegt: “We kunnen nog wel even het water op.” Waarop zijn gezelschap – oké, ik was het –  antwoordt: “Daarvoor hebben we geen tijd meer en hoezo denk jij dat iemand nu bereid is nog even snel met ons te gaan varen?” Waarop hij een man aan de kade aanspreekt en vijf minuten varen we uit. Aan boord, op het water, staat Koos te glunderen en ik denk: oké, ik snap het: je moet uitgaan van kansen in plaats van beperkingen. 

Die Koos. Hij schuift dikwijls mee aan in een goed Bosch’ restaurant voor aanvang van een van de voorstellingen die hij regisseert. In het aller-, aller-, allerbeste geeft hij de gastvrouw een college gastheerschap alsof het een lokale schending van de mensenrechten betreft. Reden: op het moment dat zijn tafelgenoten van de ene in de andere culinaire verrassing vallen, ontbeert hij, als (dan nog enige) vegetariër, elke variëteit. Hij heeft het onrecht twee gangen aangezien, maar dan… Wij duiken van schaamte haast onder tafel, maar ja, gelijk heeft hij wel!
In een restaurant waarvan wij op voorhand weinig verwachten – het vaart niet op eigen kracht, maar dankt zijn bestaansrecht aan het meedoen aan een televisieprogramma – is hij zo enthousiast dat wij hem bij het vertrek opeens nergens meer zien. Later blijkt: hij is even de keuken binnengelopen om de koks persoonlijk te bedanken. Wij weten dat je dat niet behoort te doen, maar Koos is van mening dat dat niet betekent dat je het niet doet!
In weer een ander restaurant legt hij de bediening uit dat je niet eerst iedereen koffie serveert en dan pas met zijn thee aan komt zetten. Thee is namelijk het heetst, dus juist die breng je het eerst. Anders staat iedereen al met zijn jas aan, terwijl hij nog zit te blazen. Wij wachten deze keer extra lang voor we om onze jassen vragen!
Weer elders maakt hij de sommelier erop attent dat de zojuist gegeven beschrijving van de wijn in zijn linkerhand slechts op die van toepassing kan zijn op die in de rechterhand. Na een korte stilte en het kijken op de etiketten, zei de man beschroomd: “Inderdaad, u heeft gelijk.” Wij kijken schijnheilig – alsof we het niet erg hadden gevonden als het andersom was geweest.
Alle vier die restaurants zijn al jaren weg, maar daaraan heeft hij niet bijgedragen; als iemand van ons ze graag had behouden, is het Koos.

Die Koos. Die ik uitnodig om prachtig te gaan lunchen in een restaurant dat ik pas kort daarvoor heb ontdekt in De Rotterdam van Rem Koolhaas. Rotterdam dus, architectonische en culinaire hoofdstad van Nederland. Vooraf maken we, zo heeft hij voorgesteld, een fikse wandeling: van het Centraal Station naar Zuid. Daar heb ik voor hem een verrassing in petto en daar zie ik tijdens de wandeling al naar uit. Ik heb een ets van Co Westerik voor hem gekocht en, eenmaal aan tafel, bied ik hem die in vriendschap en met persoonlijke opdracht aan. Het ontroert hem zichtbaar. 
Even later vraagt hij: “Zo en vertel mij nou maar eens wat je onderweg allemaal hebt gezien.” Ik heb de hele wandelroute goed naar hem geluisterd en veel verteld, maar gekeken naar de prachtige stad Rotterdam? Nee, dat niet. Natuurlijk ken ik Henry James motto: “Try to be someone on whom nothing is lost.” Oftewel: zorg ervoor dat niets je ooit ontgaat. Koos weet dat ik daarnaar handel – nog beter: waarschijnlijk heb ik hem zelfs eens verteld dat dit motto mij zo aanspreekt. Maar omdat alles ertoe doet, heeft hij juist dat onthouden en, omdat zijn regisseursblik meereist, onderweg geconstateerd dat tussen mijn droom en daad vandaag van alles in de weg staat. En die nonchalance, dat vermeende zelfinzicht, dient dan toch even aangestipt. 

Is er dan geen scheidslijn getrokken tussen met wie hij werkt en met wie hij verkeert? Jawel, maar dat verplicht hem toch niet tussen die grenzen ver vandaan te blijven?
Als het mij, in 2016, heel slecht gaat, mailt hij mij. App’en kan niet, want Koos’ meegaan met de tijd, houdt op met de komst van de mobiele telefoon van Nokia; Eric noemt dat zo’n stopmoment dat plaatsvindt in ieders leven. Koos mailt mij dat hij er is als ik hem nodig heb. 
Als ik, april 2020, met hem mail over zijn boek, valt er geen woord over mijn lange zwijgen. Geen verwijt, alleen maar: “Ik heb je veel te lang niet gezien, maar hoor van Eric dat het goed met je gaat.” Hij was er al die tijd dus toch.

Heb ik Koos nu voldoende geduid? Nee, want we hebben het niet eens over Bob Dylan gehad.


Wordt vervolgd.

 

Archief 2020