zondag 23 februari 2020
Ik zou je het liefste in een doosje willen doen is, zoals samenstellers Jacques Klöters & Kick van der Veer dat noemen, een bloemlezing van Nederlandse chansons en cabaretliederen. De term het Nederlandstalige literaire lied zou veel beter zijn geweest, schreef ik al in 1989, toen de bundel verscheen: teksten die ook op papier, dus ‘losgezongen’, hun kracht behouden, want op dat criterium zijn ze destijds geselecteerd. Bovendien: wat zijn Nederlandse chansons? In Nederland in het Frans geschreven chansons? Nee, bedoeld zijn Nederlandstalige chansons. Had die term dan gebruikt.

Deze kritiek uitte ik in een vooraanstaand Nederlands dagblad, Trouw, ten tijde dat ik gold als een cabaretautoriteit. Toch hebben uitgever noch samenstellers die ter harte genomen. Kwalijker is dat ze in alle herdrukken de taal- en daarmee betekenisfout hebben laten staan waar ik hen eveneens op wees; een fout die vervolgens duizenden keren moet zijn overgenomen, want de bundel was destijds populair onder conservatorium- en theaterstudenten, die liedteksten moesten kiezen voor hun zanglessen. Het is deze:
Uit een ver voorbij verleden
komt altijd weer omhoog in mei
Als water in een woestenij
Een lachen, lachen zonder reden
Het lachen dat we samen deden
Natuurlijk schreef Friso Wiegersma in dit lied – geschreven voor Willem Nijholt als herinnering aan respectievelijk hun levens- en theaterpartner Wim Sonneveld – iets anders:
Uit een ver voorbij verleden
komt altijd weer omhoog in mij…
In de aflevering van mijn rubriek Gedicht Gedacht waarin je de hele tekst kunt lezen, schreef ik in 2017: “Een beetje weinig verdriet meegemaakt als je het missen denkt te kunnen reduceren tot een maand in plaats van levenslang.” (Lees hier.)
Waarom begin ik er nu opnieuw over? Zojuist verscheen een cd waarop Jan Eilander – nota bene zelf schrijver van beroep – gedichten van de jonggestorven Vlaamse dichter Jotie ’T Hooft (1956-1977) zingt.

Ik luisterde naar het kort voor T’Hoofts zelfmoord geschreven gedicht Adam Kadmon [*]:
Vader, ik heb u nooit begrepen
Uw ouders zijn al doodgegaan
En ook voor u is ’t mes geslepen:
mocht ik u voor die tijd verstaan.
De wonden die in u ontstonden
Vinden in mij hun einde
- Ik wil het geen voltooiing noemen
Omdat ik de ziekten ken en zonden
Die de ziel beletten te ontstaan.
Ik draag u als anker aan mijn voeten
Terwijl gij in mijn hoofd nog groeit:
Ik wou, als gij in aarde, in u wroeten
Maar vader ik was steeds zo gauw vermoeid.
Zo ken ik het. Maar ik las met het tekstboekje mee, waarin staat:
De wonden die in u ontstonden
Vinden in mei hun einde

Meteen dacht ik: het zal toch niet waar zijn! Ik greep naar T’Hoofts (in 2010 bijzonder fraai uitgegeven) Verzameld werk en slaakte een kreet van ontzetting: IJ! IJ!.
[*]
Hebreeuws voor de drie goddelijke eigenschappen: wijsheid, heerlijkheid en onsterfelijkheid; eigenschappen die de mens verloor toen hij, door de uitdrijving uit het paradijs, niet langer de gelijke was van God.