Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier niet meer terug te lezen. 
Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek

In 2019 besluit ik de logboeken voortaan te nummeren, zodat zij gemakkelijk zijn
terug te vinden - in de eerste plaats voor mezelf! 

Op 1 januari 2020 kies ik ervoor niet meer dagelijks, maar weer wekelijks te schrijven.
Terug naar het Weekboek dus. De nummering laat ik weer los.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Week 46 - 324. Kiki & Fritsie

woensdag 20 november 2019

Arjan Peters schrijft in de Volkskrant (woensdag 13 november) over brieven en tekeningen van F. Harmsen van Beek (1927-2009) die het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper 26 november onder de hamer brengt. 

Ik zou er niet over begonnen zijn als ik niet ontroerd was geraakt door de foto van de erbij afgedrukte brief van haar aan de haar bevriende dichteres M. Vasalis. En door die van Vasalis’ antwoord erop.





Harmsen van Beek en Vasalis woonden bij elkaar in de buurt, hadden beiden het dichterschap achter zich gelaten en voor de anonimiteit gekozen. Ze zagen elkaar vaak en correspondeerden ook.
 
In de biografie die Maaike Meijer een jaar geleden publiceerde (lees hier), staat de brief die Harmsen van Beek op 15 september 1998 aan haar dan terminaal zieke vriendin (Kiki genoemd) schreef. De inhoud van die brief kende ik dus al uit de biografie, maar niet de aanblik ervan. Peters: “Regels die waren genoteerd in de vorm van wuivende grasspietjes.” Peters citeert eruit: 

Liefste Kiki, 
Dit briefje zou moeten zijn als een kleine wandeling, zo zacht en eenvoudig, voetje voor voetje, op weg naar het betoverende woud waarin de God’s onmogelijke vele, allemaal verschillend hetzelfde bloemenkelkjes die bedekking vormden van de zachte geurige aard, zo vreemd veerkrachtig eigenlijk. Het voelde best een beetje of we daar zweefden, misschien ook uit angst om ergens op iets moois te trappen…

Het vervolg van de brief staat wel in de biografie en niet in Peters’ artikel, maar laatstgenoemde drukt wel deze alinea af, die weer niet in de biografie is terug te lezen:

Dat ik zo raar en klein schrijf is omdat je de brief dan plat zult kunnen strijken en dat er dan een grasveldje zal blijken te zijn. Heel klein en onecht en je kunt het ook niet ruiken, maar je kunt misschien denken dat het ruikt zoals het lievelingsbos.


Daar kwam twee dagen later, 17 september 1998, nog een briefje achteraan; ook dat noemt Peters niet. Ik citeer uit de biografie:
Liefste Kiki. Voor als je m'n brief - in vorm van grasveldje - misschien niet goed kan lezen: er staat in ongeveer: elkaar nog nauwelijks bekend breng je me naar een niet-te-beschrijven heerlijk woud, met duizend bloemen, kleine zachtgekleurde en ik dacht toen: hier zou kleiner willen zijn en altijd, maar dus niet op schoenen etc. Zo klein als een bij, maar dan niet een bij, die werkdruk, dat stomme programma, die koningin, jasses – nee ik wou als miniatuur echt gevederd, gebekt en geoogd vogeltje – (in de grasveld-brief staat niet dat ik ook nog eens aan een piepklein ijsvogeltje dacht. Wel, ik zei daar dus niks over, ik schaamde me, voorzolang zoiets duurt en dacht vervolgens – nou god – als egel dan – minstens – dan ga ik haar aan me laten wennen, en later in de winterslaap, gaat ze me misschien misse. Dit alles was de bedoeling je te laten weten, dat ik dit al dacht vóór ik wist van het zwarte konijn. Dit wou ik je schrijven maar omdat het een grasveld moest worden ‘ein piepkleines Rasensrtuck’ [= graspol] werd het godweet niet duidelijk: hier wil ik altijd zijn, liefst zo’n vogeltje, indien niet maar een egel, zij kan me dan niet aaien maar woont om de hoek. Als ik winterslaap – godweet zal ze me missen – Daar komt het op neer wat ik schrijven wou om je te laten weten hoezeer ik van je hou, liefst en duizend zeer voorzichtige kussen van je Fritzi.

Ook Vasalis’ geroerde antwoord, 6 oktober 1998, aan Fritzi (voor Vasalis Fritsie) staat in Harmsen van Beeks biografie, maar niet in handschrift. Peters citeert ook daaruit:
Liefste Fritsie. Dit is wel het laatste briefje dat ik zal schrijven - vanwege de mooiste brief die ik ooit gekregen heb. Die bekijk en lees ik telkens weer en ik aai de grasjes en stengels, die van woorden en letters en zinnen gemaakt zijn. Een planten-schrift en natuurlijk konden die al lezen en schrijven vóór ons, zo hoort het.’ 

Daar stopt het artikel; de biografie niet:

Ach lieve Fritsie. Voor het eerst heb ik je zien hurken bij een anemoontje, dat je aandachtig bekeek en het werd al meteen betoverd tot iets meer en voorgoed iets kostbaars. En zo gaat het met alles wat je bekijkt, aanraakt of beschrijft. Goed – Ach lieve Fritsie ik houd toch zo verschrikkelijk veel van je. Een egeltje wou je zijn – of ijsvogeltje? Dan kom ik in alle vroegte op het weitje op tijd om je stekeltjes vol te zien stromen met het ochtendrood. En het zwarte konijn zal meekomen en zijn oren kammen en zijn huid zal sidderen van vreugde. Hier zijn een paar egeltjes voor je (- Van een jonge man, die zelf een egeltjes is, vindt hij). Als je goed kijkt staat op één kaart (rechtsonder) een egeltje met een piepklein rugzakje. Gevolgd door een mol. Op de andere kaart zit er een linksonder in de hoek. Dag m’n lieve Fritsie – in welk formaat dan ook: onuitputtelijk. Tot voorgoed. Kiekie. 

Arjan Peters: “Tien dagen later zou Vasalis overlijden.”

In de biografie lees ik dat Harmsen van Beek haar ‘grasbrief’ retour kreeg van Vasalis’ kinderen en dat zij die december 2001, samen met de antwoordbrief van Vasalis, schenkt aan haar beste vriendin, Suzanne Rohde. Die laat ze nu dus veilen.

Archief 2019