donderdag 16 mei 2019

Je zou verwachten dat na de mededeling dat de oorlog voorbij was het hele kamp in juichen uit zou barsten. Maar het bleef voor even merkwaardig stil. Alsof we het toch niet konden geloven. We moesten verwerken dat we er nog waren, dat we het hadden overleefd, waar zoveel anderen dat niet konden zeggen. De stilte duurde voort tot iemand begon te zingen. Iedereen kende dat lied, we hadden het alleen jaren niet mogen zingen. Het duurde even en toen barstte iedereen los. En zo stonden wij daar opeens te zingen op die wonderbaarlijke dag in augustus 1945. Wij zongen het Wilhelmus, met onze hand op de borst en tranen in onze ogen.
Citaat van Diederik van Vleutens oudoom Jan van Vleuten in diens memoires, 35 jaar na dato opgetekend. Het fragment maakt deel uit van de 4-meilezing die Diederik van Vleuten vanavond (als ik dit schrijf is het zaterdagmiddag 4 mei) in De Nieuwe Kerk in Amsterdam uitspreekt onder de titel Als de taal tot stilstand komt.
Wij kennen het verhaal van zijn solovoorstelling Daar werd wat groots verricht (2010-2012) en van de prachtige, rijk geïllustreerde boekversie die daar vorig jaar van verscheen.

theater (2010-2012)

boek (2018)
Voor deze lezing heeft Van Vleuten die geschiedenis gecomprimeerd tot 9 pagina’s. Ze staan gedrukt in de 4 en 5-mei-uitgave van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Die bevat ook de 5-meilezing van microbioloog en schrijver Rosanne Hertzberger

Uit een interview (door Alex Bakker) op de website van het Comité:
Voor mijzelf begon het verhaal elf jaar geleden, op de dag dat ik besloot een punt te zetten achter mijn jarenlange samenwerking met Erik van Muiswinkel. Mijn vader leverde geheel toevallig diezelfde dag zeven grote archiefdozen, tjokvol met brieven, foto’s en documenten, bij me af. Hij had ze lange tijd op zolder bewaard en wilde ze nu doorgeven. Het was de nalatenschap van mijn oudoom Jan van Vleuten. Te midden van alle spullen zaten Jans handgeschreven memoires. Ik begon te lezen en wist meteen: dit is mijn nieuwe project. Deze geschiedenis ga ik op het toneel brengen.
Mijn oudoom Jan heb ik goed gekend, hij was een soort opa voor me. Een bijzonder aardige, nadenkende man. Met een kampsyndroom. Toen hij oud werd en zijn vrouw overleed, kreeg hij hier veel last van. Zijn psychiater raadde hem aan zijn herinneringen van zich af te schrijven, en dat heeft hij ter harte genomen: zijn memoires tellen maar liefst 700 pagina’s. Jan was planter op Java en zoals voor veel Nederlanders daar betekende de Tweede Wereldoorlog het einde van een onbezorgd bestaan. Gescheiden van zijn vrouw werd hij in een Jappenkamp opgesloten..
Zijn verhaal is dat van de mens die soms een pluisje is op de wind van een veel te grote geschiedenis. Jan heeft op cruciale momenten direct bij het vuur gezeten. Die gedachte vormde het uitgangspunt voor mijn theaterprogramma Daar werd wat groots verricht. De titel is een citaat van Jan Pieterszoon Coen dat ik heb gekozen vanwege de dubbele lading: de trots van toen, de reserves van later. Al die herinneringen, verhalen en emoties uit de nalatenschap van oom Jan heb ik getransformeerd tot theater, tot een voorstelling van anderhalf uur waarin ik samen met het publiek het verleden indook. Stand up history, werd het genoemd.
Een bescheiden tour in kleine zalen was mijn verwachting. Maar het werden grote zalen en de ene uitverkochte voorstelling na de andere. Ik bleek een open zenuw te raken waarvan ik eerlijk gezegd het bestaan niet wist. Er zit een groot Indisch zwijgen in onze samenleving verborgen. Mensen lijden aan een verleden waarover nooit meer gepraat mocht worden. Thuis niet, buiten de deur al helemaal niet. Theater is een ongelofelijk sterke vorm om ingewikkelde gevoelens en taboes open te breken. Mensen kwamen na afloop naar me toe, ik kreeg honderden e-mails en brieven, allemaal met heel persoonlijke verhalen. Herkenning: ‘dus dít is waar mijn ouders, mijn oom en tante, nooit over konden praten.’ Een enkele keer nog: ‘dit heb ik als kind meegemaakt. […]
In mijn werk speel ik altijd met humor. Dat is onderdeel van je gereedschap. In de voorstelling had ik een paar grappen waarna de lach van de muren rolde, zo bevrijdend. Maar straks, op 4 mei, ook grappen? Nee. Dat is niet het moment. Mijn woorden moeten troost bieden. Ze zijn tegelijkertijd een opmaat naar de twee minuten stilte. Als de emoties te groot zijn, word je sprakeloos. Dan komt de taal tot stilstand. Dat is wat ik hoop over te brengen: het magische van de stilte, het letterlijke stilstaan. In die stilte raken wij aan iets dat groter is dan onszelf.
Lees hier het volledige interview.