Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier, om persoonlijke redenen, niet meer terug te lezen. Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Van de zomer van 2017 tot mei 2018 vang ik mijn berichten in 120 woorden: de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad. Daarna bestaan die 120-woordenberichten korte tijd niet uit losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, per aflevering genummerd. Als ik ook die voorwaarde loslaat, zijn logboeken voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

In 2019 besluit ik de logboeken voortaan te nummeren, zodat zij gemakkelijk zijn terug te vinden - in de eerste plaats voor mezelf! Aan het einde van het jaar moet de teller op 365 staan. En ja, oplettende lezer: meestal loop ik behoorlijk op de zaken (lees: data) vooruit: elke dag immers dient zich aan hoofd en hart veel méér aan dan te vatten is in één enkele aflevering. 

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Week 17 - 120. Goed gevuld gat

dinsdag 30 april 2019

Mooi interview (door Frènk van der Linden en Pieter Webeling – als duo-interviewer beter dan ieder afzonderlijk – in de Volkskrant van 17 april) met musicus-voormalig cabaretier Mike Boddé (1968). Die verloor in korte tijd zijn beide ouders, beiden eind tachtig jaar oud; zijn vader stierf juli 2018, zijn moeder maart jl.

 




Over die vader:
Mijn vader werd zwaar depressief op z’n 24ste. Ik denk dat hij niet helemaal begreep wat hem overkwam. Hij schijnt een jaar lang niet gepraat te hebben — helemaal in zichzelf opgesloten. Met rust en pillen is hij er weer uitgekomen, zei mijn moeder. In de jaren vijftig kreeg hij ook een slaapkuur. Dan brachten ze je twee weken onder zeil, om te resetten. Ontprikkelen. Een soort shock krijg je dan, maar geen elektroshock. Schijnt geholpen te hebben.

Over hun huwelijk:
Mijn ouders zijn 72 jaar heel gelukkig bij elkaar geweest. Dat huwelijk was een vesting. Geen barst in te krijgen. In zijn depressiejaren heeft mijn vader wel eens gezegd: ‘Jeanne, misschien kun je beter bij me weggaan.’ Wilde ze niets van horen: ‘Ben je nou helemaal besodemieterd? Ik ga nooit bij je weg!’ 

Over hun vader-zoon-relatie (= nakomertje; hij heeft nog een broer en een zus; zijn andere broer overleed aan slokdarmkanker, pas 45 jaar oud):
Ik kreeg ook wijze raad van hem — in mijn zwartste perioden. Zijn geschiedenis van schuld, schaamte en somberheid resoneerde in mij. Ook ik werd [...] op mijn 24ste knetter-depressief. Dat was heel zwaar. Verpletterende angst. De overtuiging dat alles verkeerd gaat of al verkeerd is gegaan. Elk geluid kwam keihard binnen. Ik voelde veel te veel, alsof mijn zenuwen open lagen. En dan nog stemmen in m’n hoofd… pfff.
Het grote probleem van een depressief persoon is: hij denkt dat-ie er nooit meer uitkomt. Alles om hem heen is zwart en donker. Mijn vader zei tegen me: ‘Je zult geleidelijk aan weer opklimmen. Daarna zul je een periode beleven van grote activiteit, voldoening en succes.’ Langetermijnvisie weer, hè. Zo had hij het zelf ook ervaren. Licht aan het einde van de tunnel, een helder en fel licht. Daar probeerde ik mij dan maar op te richten. Maar makkelijk ging dat niet.
Op een dag kwam ik in een soort psychose — door een pilletje te slikken en daar te snel mee te stoppen. Toen werd de wereld helemáál zwart om mij heen. Ik zat in een woongroep in Utrecht. Een huisgenoot zei: ‘Zal ik Sjim en Sjaan maar even bellen?’ Zij haalden mij op. Ik was 28 jaar. Drie jaar heb ik bij ze gewoond, gewoon weer bij pa en ma in. Dat was heerlijk. Mijn vader werd mijn ‘secondant’. Ik had straatvrees, dus hij bracht mij naar therapie. Ging-ie voor de deur in z’n auto zitten, 
De Telegraaf lezen, wachten tot ik klaar was.

Over zijn vaders ziekte:
Het begon een jaar of tien geleden. Eerst ontkenden we het met z’n allen nog, maar mijn schoonzus is arts en had het al snel in de gaten. Door zijn groeiende onzekerheid ging hij steeds meer aan mijn moeder hangen, zoekend naar steun. Dan komen er van die momentjes dat hij de telefoon aanziet voor de afstandsbediening. Mijn broer en schoonzus namen het initiatief: het was het beste als mijn ouders zouden verhuizen naar een plek met fijne zusters, en winkels in de buurt. Mijn vader onderging de bekende testen. Alzheimerpatiënten moeten dan een klok tekenen en komen meestal niet verder dan een paar onsamenhangende lijntjes. Daar wilde ik niet bij zijn. Daar kón ik niet bij zijn — ik kreeg dat gewoon niet voor elkaar.
De dementie ontwikkelde zich op een milde manier. Ik leerde mijn vader kennen als een heel lieve, zachtaardige, warme, totaal níét autoritaire man. In verwondering liet hij de ziekte over zich heen komen. Iemand zei: ‘Het is allemaal wel zwaar hè, Jim?’ Dan wees hij naar mijn moeder en zei: ‘Met haar kan ik alles doorstaan.’ Een godsgeschenk dat hij nooit onaardig tegen haar is geweest. Terwijl het voor mijn moeder best zwaar was, want mijn vader werd angstig als zij niet in de buurt was. Tot op het einde bleef hij thuis, ook met hulp van thuiszorg.

Over zijn moeder:
Begin dit jaar werd zijn moeder ongeneeslijk ziek. Hoe reageerde zij op haar naderende einde? ‘O, die wilde gewoon naar m’n vader. ‘Jim zit aan me te trekken’, zei ze. ‘En haar zus en haar oudste kind ook. Ze had lymfeklierkanker. Meteen ging ze van alles regelen: mensen bellen en afscheid nemen, zorgen dat een schilderij terugkeerde naar de dochter van de schilderes, envelopjes met sieraden maken voor de kleinkinderen. Ze overleed 2 maart. Sneller dan gedacht.

Over de rouw:
Ik ben wees. Zo voelt het ook: het magische vangnet is verdwenen. Ik mag dan 51 zijn, bij echt grote problemen ging ik toch naar mijn ouderlijk huis. Soms denk ik: het nadeel van een harmonieus gezin en een heel goede verstandhouding met je ouders is: dat je wel heel veel mist als ze weg zijn. Het gat is zo groot. Maar een vriendin zei treffend: ‘Ja Mike, het gat is groot, maar dat komt doordat het ooit helemaal gevuld is geweest.’ Daar houd ik mij maar aan vast. 


Die laatste zin maakte de meeste indruk op me, vooral omdat het gat in mijn geval nooit goed gevuld was. Maar toen De Liefste zei: “Die ene zin is er een voor een tegeltje, die moet ik onthouden’, wist ik natuurlijk wat zij bedoelde:
Het gat is groot, maar dat komt doordat het ooit helemaal gevuld is geweest. Als die uitspraak betrekking op je heeft, beste lezer, zou ik haar koesteren.

Archief 2019