Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn op deze site niet meer terug te lezen.
Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Van de zomer van 2017 tot mei 2018 vang ik mijn berichten in 120 woorden:
de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad.

Daarna bestaan die 120-woordenberichten korte tijd niet meer uit
losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, per aflevering genummerd;
begin juni laat ik ook die voorwaarde los: logboeken zjn voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

Wel besluit ik eind maart 2019 om, met terugwerkende kracht, de logboeken van 2019 te nummeren, zodat zij makkelijker terug te vinden zijn - in de eerste plaats voor mezelf! Aan het einde van het jaar moet de teller op 365 staan.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend
schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende.
Met de links hierna ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Week 14 - 99. Meit = Keizers [2/4]

dinsdag 09 april 2019



Vervolg van gisteren.

Terug naar dat interview in NRC-Handelsblad woensdag jl. (3 april). 
Als gezegd: journalist Ron Rijghard heeft zich voor cabaretiers karretje laten spannen. 

Aan het slot van zijn debuutvoorstelling Erg Heel staat Stefano Keizers met enkele ‘vrijwilligers‘ – toeschouwers die zich naar voren hebben laten lokken – op het podium, valt zogenaamd dood neer en heeft besloten in de rol van stoffelijk overschot te blijven, ondanks verbaal en fysiek geweld, bedreiging en zelfs levensgevaar. 

Zo’n twintig minuten duurt die slotact; dan is iedereen wel weg. Maar in die tussentijd…
In Zaandam wrikt men zijn horloge van zijn pols en wordt hij gekust in de verwachting dat hij verandert in een kikker. Ook is hij “geknepen, betast, tot bloedens toe gesneden, bedreigd en rondgereden op een kar”. Want “zijn doodliggen maakt het slechtste in de mens los, zegt hij. „Ik wek een vorm van dierlijk sadisme op.”

In Hoofddorp schiet een man een watergeweer in zijn gezicht leeg; in Utrecht – zijn technicus, die in oogje in het zeil moet houden, is te laat – fluistert een man tegen hem: ‘Eens kijken hoe hoog je pijngrens is.’ Gover Meis (zoals Keizers’ echte naam luidt): “Hij is met een scherp object, ik denk een sleutel, in mijn pols gaan snijden en schroeven. En met zijn nagels kerven. Minutenlang. Ik bloedde en had behoorlijke sneeën in mijn arm. Die zijn gaan ontsteken.”
In Huizen wordt hij gewaterboard. “Doodeng. Kannen vol water werden over mijn gezicht gekieperd. En toen het water op was, hebben ze de waterpistolen uit de act ervoor gevuld met wasverzachter en in mijn gezicht gespoten. Dat ging verschrikkelijk jeuken en schuimen.”
In Breda valt hij in handen van de lokale toneelvereniging, “die door het hele theater heen een vierakter met me hebben opgevoerd, een ziekenhuissoap, inclusief over me heen vallende, wenende vrouwen”. 
In Den Bosch (Verkadefabriek) begint een man hem te reanimeren. "Met mond-op-mondbeademing, kwijlend in mijn mond. En met zijn volle gewicht op mijn ribben drukkend tot ik dacht dat ik zou ploffen. Ik dacht: dit is het, nu ga ik dood." 
 

 

Keizers = Meit: “Er is ook vaak eten over me heen gegooid. En modder of zand, als er een plant in de buurt stond. In de tas met cadeautjes die ik bij me had, zat een keer hondenpindakaas, een soort moes van hondenvoer. Een man smeerde dat in mijn mond en neus. Verschrikkelijk. […] Wat ik nooit had verwacht, maar inmiddels accepteer, is dat ik, zodra ik neer ben gevallen, geen aanwezig mens meer ben. Ik ben een pop. Mensen praten over mij met het idee dat ik er niet meer ben. Dat is een softwarefout in ons die aan het licht komt. Zodra iemand zichzelf buitensluit van het gesprek of de situatie, dan besluiten we instinctief daar in mee te gaan.”

Ik las het en dacht: maar was het in werkelijkheid echt zo erg als hier verondersteld?

Wordt vervolgd.

Archief 2019