Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn op deze site niet meer terug te lezen.
Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Sinds de zomer van 2017 vang ik mijn berichten in 120 woorden:
de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad.

Sinds eind mei 2018 bestaan de series van 120-woordenberichten een korte periode niet meer uit
losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, zij het wel per aflevering genummerd;
begin juni laat ik ook die voorwaarde los: logboeken zjn voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend
schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende.
Met de links hierna ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Week 5 - Wieringa [2/3]

woensdag 06 februari 2019

[Vervolg van gisteren.]





Donderdag 12 oktober 2017

Nadat ik de kinderen op de fiets naar school had gebracht, stapte ik halverwege de dijk af en keek uit over de braakliggende maisvelden van de Broekermeer. Regenwater in de langgerekte voren spiegelde de hemel in zilvergrijs. Kraaien, kauwen en ganzen foerageerden tussen de maisstoppels, ze aten wat de hakselaar had gemorst. Er klonk een schot, en nog een. De jagers zelf zag ik niet. Gedurende de ochtend. Die steeds helderder en zonniger werd, bleef het geweervuur aanhouden. Elk schot deed me zeer, microcontracties van de ziel. Door het zolderraam speurde ik met de verrekijker de velden af tot ik de lokganzen en lokkraaien zag, zodanig geposteerd tussen de stoppels dat het leek of daar heel wat te halen was. De jagers zaten verscholen onder een camouflagenet in een droge sloot. Er tuimelden kauwtjes uit de lucht.
Ik liep er door het drassige weiland naartoe, zonder te weten wat ik precies ging doen. Eén eenvoudige wens had ik maar, en dat was dat het zou stoppen. Twee jagers, ik kende ze uit het dorp. Een van hen, Arjen V., geboren in Hardenberg, niet ver van waar ik ben opgegroeid, mocht ik zelfs graag. De ander kende ik alleen van gezicht – een gezicht dat me van meet af aan onsympathiek is geweest door het stompzinnige masochisme dat het uitstraalt; botte wil verenigd met lichamelijke kracht.  
‘Wat doen jullie nou toch?’, zei ik, emotioneler dan ik wilde.
‘Wildbeheer’, zei Arjen V. vanachter een camouflagenetje dat zijn gezicht bedekte. 
‘Ze veroorzaken helemaal geen schade nu, ze vreten alleen maar wat over is! De kauw is monogaam, jullie verstoren levenslange huwelijken. Kijk dan toch…’
Ik liep op een zieltogend kauwtje af dat in de modder lag te spartelen. Een grijs vlies was over zijn ogen geschoven. De hond greep het dier tussen zijn kaken vast. ‘Laat los, verdomme’, zei ik en raapte het kauwtje van de grond. ‘Jullie zijn nog te beroerd om ze uit hun lijden te verlossen’, bracht ik uit en sloeg het kauwtje met zijn kop op een paaltje dood. 
Zwijgend keken de mannen naar me. ‘Hou toch op met die onzin’, zei ik en veegde het bloed af aan mijn trui. 
Ik liep naar huis terug. Aan mijn rug konden ze niet zien dat ik huilde. Ik had een kauw gedood , mijn totemdier – het uit zijn lijden verlost weliswaar , maar toch: gedood.

[Wordt vervolgd.]
 

Archief 2019