Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier, om persoonlijke redenen, niet meer terug te lezen. Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Van de zomer van 2017 tot mei 2018 vang ik mijn berichten in 120 woorden: de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad. Daarna bestaan die 120-woordenberichten korte tijd niet uit losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, per aflevering genummerd. Als ik ook die voorwaarde loslaat, zijn logboeken voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

In 2019 besluit ik de logboeken voortaan te nummeren, zodat zij gemakkelijk zijn terug te vinden - in de eerste plaats voor mezelf! Aan het einde van het jaar moet de teller op 365 staan. En ja, oplettende lezer: meestal loop ik behoorlijk op de zaken (lees: data) vooruit: elke dag immers dient zich aan hoofd en hart veel méér aan dan te vatten is in één enkele aflevering. 

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Week 3 - 26. Willem Wilmink [2]

zaterdag 26 januari 2019

Vervolg van gisteren.




Tijdens de voorstellingen zat Willem als vanouds aan zijn tafeltje op het podium achter een stapeltje boeken. Vanaf die plek leidde hij de liedjes in die zijn begeleidingsduo en hijzelf ten gehore brachten. Frank Verhallen: ‘Door de zeer afwisselende keuze en de fraaie wijze waarop hij de nummers associatief aan elkaar schakelt, gelden deze voorstellingen als indrukwekkende odes aan zijn literaire werk en aan zijn vakmanschap als performer.’


[…]

Zingen deed Wilmink tijdens de voorstellingen steeds minder, zijn accordeon bleef meestal thuis. Langzaamaan werd duidelijk dat de optredens hem sloopten. De tournee met de voorstelling Ernstig genoeg, die in het najaar 1997 van start ging, kon hij nauwelijks bolwerken, schreef Frank Verhallen:

‘Hij wil niets anders meer dan zo laat mogelijk van huis en zonder oponthoud heen- en terugreizen. En zo wordt zo’n tocht voor iedereen steeds meer een beproeving. Voor hemzelf nog het meest. Hij stapt met afgrijzen in bij manager-annex-chauffeur Jan Willemsen en grijpt tussenstops aan naar een telefoon te vragen. Dan belt hij zijn vrouw Wobke om te informeren of haar niets is overkomen en haar te vertellen hoe zijn reis vordert. Zijn reisgezelschap heeft zich vooraf op de hoogte gesteld van de verkeersknelpunten, want hij haat opstoppingen en is in staat in zijn drift uit de auto te stappen en te gaan stampvoeten om al het leed dat het Nederlandse verkeer hem op dat moment berokkent.
Bij aankomst in het theater is iedereen zichtbaar opgelucht. De missie is weer volbracht. Hoe zoekt nog één keer naar een telefoon om Wobke te bellen. Pas daarna komt hij tot rust, raakt in gesprek met de theaterleiding en –technici en met zijn muzikanten. […] Hij aanschouwt het toneelbeeld met het tafeltje waaraan hij straks zal zitten en legt de boeken klaar waaruit hij die avond voordraagt.’

Archief 2019