Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn op deze site niet meer terug te lezen.
Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Van de zomer van 2017 tot mei 2018 vang ik mijn berichten in 120 woorden:
de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad.

Daarna bestaan die 120-woordenberichten korte tijd niet meer uit
losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, per aflevering genummerd;
begin juni laat ik ook die voorwaarde los: logboeken zjn voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

Wel besluit ik eind maart 2019 om, met terugwerkende kracht, de logboeken van 2019 te nummeren, zodat zij makkelijker terug te vinden zijn - in de eerste plaats voor mezelf! Aan het einde van het jaar moet de teller op 365 staan.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend
schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende.
Met de links hierna ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Week 49 - Curieus [K]

zondag 09 december 2018



De curieuze K staat voor Kronkel (onder welke naam Simon Carmiggelt zijn Parool-stukjes schreef) en voor Kees van Kooten. De curieuze bundel is Een hand vol speciale kronkels: 47 cm lang en 7 cm breed, uitgegeven in 1976 door Het Parool. Zeldzamer is de uitgave Een hand vol kronkels, uit 1966. Zelfde lengte, twee cm breder en nooit in de handel geweest. Toch kies ik vandaag voor de speciale kronkels.
 
In 1976 organiseerde Het Parool een wedstrijd onder de titel Zoek de Kronkel. Zes schrijvers werd verzocht om anoniem een Kronkel te schrijven: Rinus Ferdinandusse, Kees van Kooten, Renate Rubinstein, Nico Scheepmaker, Henk Spaan en… Simon Carmiggelt zelf. De lezers mochten raden van wie de echte Kronkel was. Kees van Kooten:
“Charlie Chaplin deed ooit anoniem mee aan een Chaplin-imitatiewedstrijd en werd hierbij zevende. In de wedstrijd Zoek de Kronkel werd Simon Carmiggelt vierde. De winnaar was Henk Spaan en ik werd derde met het stuk Jas. Ik zal het u voorlezen, om te illustreren dat zelfs honderd Carmiggelt-achtige bijvoeglijke naamwoorden en stijlfiguurtjes nog geen Kronkel maken:

Bij het verlaten van het provinciale station der vaderlandse spoorwegen werd mij middels de pui van het handzaam belendend café patserig medegedeeld dat ik hier een oudhollands bedoelde Bodega zou betreden. Binnen moest ik mijn nieuwe, voortijdig aangeschafte winterjas dan ook aan een verlopen ogend, bruingerookt hertengewei zien te slijten. 
Dit karweitje bleek zich grotendeels boven mijn macht af te spelen, zodat het tegenstribbelende lusje knapperig losliet en ik oog in oog met mijn bij zijn nekvel opgehangen driekwartjas aan het Perzisch tafeltje mijner keuze kwam te zitten. Ik verzocht de waard om koffie, een bede waar slechts schoorvoetend aan werd voldaan, want het was maandagmorgen en dan verwijlen de meeste café-beheerders warmpjes vooroverleunend in de hapklaar naast hun spoelbak uitgespreide sportbijlage. 
‘Leuk jasje heb jij daar!’ De stem, die mij onverhoeds tussen de schouderbladen trof, bleek te ontspringen aan een geheel uit dierlijke vetten geboetseerde zestiger, voor wie de ontdekking van calorie-arme margarine enige decennia te laat was gekomen: hij kon Era smeren wat hij wou, maar geen vrouw die hem met zijn zoon zou verwarren. Sommige mannen worden teleurgesteld geboren. Dit was er zo eentje. 
‘Ik geef je vijfentwintig gulden voor dat jasje’, klonk het lijzig zonder omwegen, ‘toen je binnenkwam had ik dertig in mijn hoofd, maar toen brak jij je lusje. En nou zal je zeggen: nounou, dat is een prijzig lusje, maar dan had je het maar niet moeten breken.’ ‘Tja, dat zijn van die ongelukjes’, bracht ik benepen in het midden. De waard zette zonder tekst een dienblaadje koffie voor mij neer en haastte zich terug naar de eredivisie. Hij wou niets met onze transactie van doen hebben. Ik evenmin. 
‘Dat kost mij op z'n minst anderhalf uur, wil ik dat lusje weer een beetje knap krijgen’, schatte de man leep. ‘Neem alleen al de draad door de naald. En dan: ik hèb geen naald. Dus die zal ik eerst ergens op de kop moeten zien te tikken.’ Zijn fletsblauwe, mij door opkomende Schiedamse nevelen schattende ogen vernauwden zich huiverend, bij de loutere gedacht aan deze missie. 
‘En dat moet je dan in de krànt lezen!’ vervolgde hij onoverzichtelijk, ‘dat kan je dan op maandagmorgen ergens god-weet-waar in weet-ik-wat voor café in de een of andere krant lezen! Dat je pats op straat staat!’  Hij hief met een door de alcohol verbreed gebaar het omineus op zijn persje liggende ochtendblad. 
‘Ze hadden nooit ons huismerk moeten moderniseren! Dat is zestig jaar lang de leeuw geweest, met een hark in z'n poot, maar nee dat moesten dus twee streepies en een rondje worden.’

‘Werkt u soms in de tuinartikelenbranche?’ probeerde ik hoopvol. 
‘En ik zit nou zesentwintig jaar in m'n enkele pak langs de weg’, mopperde de man, ‘met zo'n opvouwbaar regenjasje achterin de wagen, wat nooit meer in zijn zakkie terugwil. En ik denk al die jaren; laat ik mijzelf nou toch eens op een autocoatje trakteren. Want dat zit makkelijker en het stapt soepeler in en uit. Treedt ook even leuker binnen bij de klant. Daarom dacht ik zonet: ha! Daar hebben we meneer Carmiggelt, mèt een mooie autocoat, en die rijdt zelf geen auto, maar die is altijd in voor een geintje. Dus dan heeft-ie wat te lachen, stof voor een stukkie en vijfentwintig zwarte piekies pats in het handje...’ 
‘Maar ik wil mijn jas helemaal niet kwijt!’ riep ik kouwelijk, schatte de afstand tot de deur en toonde de blanco toeziende kastelein twee guldens, die ik besmuikt op zijn dienblaadje deponeerde. 
‘Ach laat ze toch allemaal de zondvloed krijgen!’ verstond ik nog, doch vervolgens verviel de uitgerangeerde handelsreiziger in een onsamenhangend doch gespierd gemompel, dat hij dwars door het raam de onschuldige dorpsstraat in wierp. Gebukt en met haastige spoed slaagde ik erin het pand ongemerkt te verlaten. Eerst in de onrendabele streekbus, die mij nog wat dieper ons land binnenloodste, bemerkte ik dat ik mijn gloednieuwe autocoat in de bodega had laten hangen. 

Kronkel (?)

Ik stemde indertijd niet op Kees van Kooten, maar vond en vind zijn verhaal wel het mooiste.

Archief 2018