Logboek

Het Logboek (de edities van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier niet meer terug te lezen) verandert 1 januari 2020 weer van een dag- in een Weekboek. Elke week - een enkele keer iets vaker - schrijven over wat week maakt. Of zoals ik het tegenwoordig noem: ik ben in mijn leven onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt: met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger echter zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

-----

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 9 uur.

Week 48 - Curieus [E]

maandag 03 december 2018



Het gedicht (lees hier) volgt, samen met twee eveneens op uitnodiging van het Nationaal Comité 4 en 5 mei geschreven gedichten van Eva Gerlach en Gerrit Kouwenaar, op de lezing die Anna Enquist uitsprak op 4 mei 1996 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Hieronder een fragment daaruit.
De lezing en de drie gedichten zijn gebundeld in Een avond in mei en de aanwezigen kregen daarvan een exemplaar aangeboden.


De oorlog waar wij vanavond aan denken heb ik niet meegemaakt. Op de drempel van de bevrijding werd ik geboren en in de afgrond van die vijf jaren daarvóór heb ik niet hoeven kijken. Nee, de generatie waar ik deel van uitmaak werd naar voren geduwd in het zonlicht. Wij waren vrij en het was vrede. Het onrecht en de verschrikkingen die onze ouders en leraren hadden ondergaan sinds de stralende meidagen van 1940 stonden met die vrede en die vrijheid in schril contrast. De meimaand van 1945 bracht een verlangen om opnieuw te beginnen, om de machteloosheid van de oorlogsjaren af te schudden en de vernedering, de schaamte en het verdriet uit te bannen. 
Het woord vrijheid kreeg daardoor ongemerkt een bijzondere betekenis: het was niet de vrijheid om te rouwen, om uitgeput en uitgeblust te zijn. Het was niet de vrijheid om terug te kijken en uit te zoeken wat er gebeurd was en waarom. Het was een vrijheid aan de teugels van ‘het goede’: vrijheid om aan een nieuwe maatschappij te bouwen waarin iedereen zich veilig zou kunnen voelen, recht zou hebben op werk, op eten, op zorg bij ziekte en ongeluk, waarin geen onrecht en geen nood zou zijn.  […]
Toen de feiten over de oorlog langzamerhand bekend werden en de film over de Neurenbergse processen in de bioscoop kwam ging mijn generatie kijken, luisteren en lezen. Wij voelden een vreemde mengeling van ontzetting, schuld en schaamte; wij stelden geen vragen en zeiden niets. In zwijgzaamheid dachten wij over het grote raadsel, hoe het kon dat een groep mensen een andere groep zo onzegbaar weerzinwekkend behandeld had, en dat weer andere groepen daarbij waren geweest en niets gedaan hadden. 
De naoorlogse generatie werd verscheurd tussen twee wensen: enerzijds de wens om uit te zoeken hoe het met dat raadsel echt zat, anderzijds de wens om de generatie van onze ouders ter wille te zijn. Dat betekende: meegaan in de overtuiging dat al het slechte in de vijand lag besloten, dat het gebeurde een eenmalige hellevaart was die nooit meer voor zou komen als iedereen het goed had en de vijand blijvend ontwapend zou zijn. 
Wij wilden dat graag geloven omdat wij naast onze ouders wilden staan, omdat wij zagen hoezeer zij gewond en beschadigd waren, omdat wij hun machteloze zwijgen wilden respecteren. Dus gingen wij op de avond van de vierde mei met hen mee om samen te zwijgen. De ouders dachten aan hun oorlogsgeheim en wij dachten aan het raadsel, dat ook geheim was. Geheimen maken een echt gesprek onmogelijk, dat merkten wij toen er een generatie na ons opgroeide, toen wij kinderen hadden gekregen met wie we zwegen op 4 mei.

Archief 2018