Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier, om persoonlijke redenen, niet meer terug te lezen. Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Van de zomer van 2017 tot mei 2018 vang ik mijn berichten in 120 woorden: de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad. Daarna bestaan die 120-woordenberichten korte tijd niet uit losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, per aflevering genummerd. Als ik ook die voorwaarde loslaat, zijn logboeken voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

In 2019 besluit ik de logboeken voortaan te nummeren, zodat zij gemakkelijk zijn terug te vinden - in de eerste plaats voor mezelf! Aan het einde van het jaar moet de teller op 365 staan. En ja, oplettende lezer: meestal loop ik behoorlijk op de zaken (lees: data) vooruit: elke dag immers dient zich aan hoofd en hart veel méér aan dan te vatten is in één enkele aflevering. 

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Week 45 - Rinkeldekink [2]

maandag 12 november 2018

Daarna volgen verhalen over haar opname en het moeizame herstel. Of, zoals de achterkant meldt: over hoe het voelt als iemand anders in je brein is gekropen en daar de boel dreigt over te nemen.

En nog één keer schrijf zij daarna in cursief:
De weg naar de depressie toe duurde en duurde maar. Helemaal in je eentje leg je die weg af. Het laatste stuk van de weg (dat stuk waarin je brein explodeert en zichzelf Depressie durft te noemen) kan ik niet beschrijven, ik wil het niet eens proberen. Jawel, ik heb het geprobeerd. En toen ik het had opgeschreven heb ik het weggegooid. Het deed me nog pijn ook. Ik had opgeschreven hoe het was, hoe ìk was, hoe ik maand na maand tegen iedereen gezwegen had, terwijl ik toch wel degelijk geluid gaf. Ik had met niemand nog enig contact, al waren er vaak genoeg mensen in mijn omgeving. Ik babbelde mijn babbeltjes gewoon mee en iedereen zei: ‘Wat zie jij er goed uit! Het gaat zeker veel beter met je!’ Onderwijl dacht ik onuitwisbare gruwelgedachten, die me gek van angst maakten. Dat hele stuk laat ik gewoon weg. Mag ik? Ik moet.

Ik wil nu alleen schrijven over een paar inwoners van ’t streekziekenhuis, die ik heb leren kennen en in mijn hart heb gesloten. Wat ik schrijf, is alleen wat ik zelf verdragen kan. Verhaaltjes. Waar de weg begon, weet ik niet. De reis eindigde met een bezoek aan de huisarts, voorgeschreven bezoek aan het Crisiscentrum en opname in ’t streekziekenhuis. Waarom daar? Ja, daar was plaats. Nu kan ik wéér zeggen: toeval [*]. In dat ziekenhuis was plaats. 
Je hebt daar een afdeling waarvan alle ramen en deuren geregeld op slot klikken. In die vesting mocht ik naar binnen. Klik, zei de deur.

[*] 
Wat dat wéér toeval betreft: in het eerste verhaal schrijft Martine Bijl: Toen ik weken later weer iets kon zeggen, vroeg ik aan de chirurg: ‘Dokter, hoe komt een mens aan zo’n hersenbloeding?’ Hij antwoordde zonder een witje: ‘Toeval.’

Archief 2018