Logboek

Het Logboek (de edities van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier niet meer terug te lezen) verandert 1 januari 2020 weer van een dag- in een Weekboek. Elke week - een enkele keer iets vaker - schrijven over wat week maakt. Of zoals ik het tegenwoordig noem: ik ben in mijn leven onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt: met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug
naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger echter zijn deze links:
daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2020 (deel 1: A t/m G, deel 2: H t/m L,
deel 3: M t/m R, en deel 4: S t/m Z),  2019 en 2018 en
de logboeken van 2017 en najaar 2016.

-----

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 9 uur.

Week 39 - De volgende scan...

maandag 01 oktober 2018


[Lees ook hier.]

In NRC-Handelsblad van 13 september kondigde deze uitgave zich al aan. Rinskje Koelewijn sprak in haar serie lunchinterviews met dichteres Lieke Marsman (28). Die kreeg in maart van dit jaar de diagnose kraakbeenkanker: achter haar rechterschouderblad zat een tumor ter grootte van een grapefruit (10 x 9 x 8 xm). Een week later werd zij geopereerd. Een half jaar later kampt zij nog altijd met de gevolgen, aangezien met de tumor ook haar schouderblad en de omringende spieren verloren gingen. Haar arm kan ze bewegen in een hoek van 45 graden. Schrijven lukt dus nog.

Over haar ziekteproces schreef zij dit bundeltje: twaalf gedichten en een pamflet over hoe een ziek lichaam zich verhoudt tot een zieke wereld. De bundel gaat dan ook niet alleen over háár ziekteproces, maar is ook een pleidooi om je maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen nu er zoveel zorgelijks aan de hand is in de samenleving.

Uit het interview van Rinskje Koelewijn:
“De plek ten opzichte van mijn geboorte en dood is duidelijker geworden.” En daarmee, zegt ze, is ook haar plek ten opzichte van de maatschappij duidelijker geworden. […] Ze was (en is) dus freelancer. Kun je niet werken wegens ziekte, dan krijg je niks. “Ik heb mijn spaargeld voor mijn pensioen opgegeten.” […] Ze weet nu hoe je, opleiding en talent ten spijt, in de bijstand terechtkomt. En ook hoe snel de afgrond zich aandient. Ze hoorde VVD’er Klaas Dijkhoff op televisie zeggen dat “we allemaal een keer pech kunnen hebben”. De pechvogel moet je niet laten creperen, zei hij, die moet zo snel mogelijk weer op eigen benen staan. En daarom vond hij het een goed idee om de bijstand te verlágen. Lieke Marsman heeft lang liggen nadenken over dat woordje pech. “Kenmerkend aan pech is dat het eenmalig is en toevallig.”
Een kankerdiagnose zou je nog pech kunnen noemen, de uitwerking ervan (verlies van baan, relatie, borst) is dat niet. Pech kan ook zijn dat je geboren wordt op de verkeerde tijd of plaats. In een achterstandswijk, een derdewereldland. “Maar alle nadelen die je daarvan de rest van je leven ondervindt, vallen niet meer onder pech.” Die nadelen zijn namelijk niet toevallig, en niet eenmalig. Je hebt weinig fantasie nodig om pech te zien als een tumor die zich ingraaft. Je kunt de wijk, de armoede, het gezwel wegsnijden. Maar dat lost niet in één klap alles op. “Pech is als je onderweg naar je werk in de hondenpoep trapt. Dikke, vette pech is als het de volgende dag weer gebeurt.”
De zorg, ook zo’n onderwerp waarover ze altijd wel een mening had, tot ze zelf ondervond dat beslissingen in de gezondheidszorg niet economisch zijn, maar over dood en leven gaan. Want wie zorgt er voor je als je na zes dagen met twintig hechtingen in je rug uit het ziekenhuis wordt ontslagen? “De eerste week kwam de thuiszorg om het verband te verschonen.” Maar daarna? Haar ouders wilde ze niet met de dagelijkse zorg belasten. Haar vriendin Simone, die ze nog maar net kende toen ze ziek bleek, ook niet. Op psycho-oncologische zorg wordt sinds Rutte-I bezuinigd, dus verlaat ze zich op lotgenotencontact via Facebook. Helemaal gratis.
Wat niet is veranderd, maar wat ze nu niet meer afdoet als gezeur: het vacuüm waarin haar generatie gevangen zit. Ze zou best kinderen willen, maar: geen baan, dus geen geld, dus geen huis zonder huisgenoten. De allerverdrietigste gedachte, zegt ze, is dat ik doodga zonder ooit een eigen keuken te hebben gehad. Ze moet er bijna weer om huilen.
Nu het eten vrijwel op is, vraag ik nog maar een keer hoe het gaat. Haar make-uploze gezicht staat serieus. Vrijdag, zegt ze, heb ik weer een scan. Gecontroleerd wordt of er niet toch ergens in haar lichaam uitzaaiingen zitten. De kans is niet zo gek groot, maar de kans op dit soort kanker is sowieso klein, en dat je hem op je 27ste krijgt al helemaal. Garanties zijn er niet. Behandelingen ook niet. Chondrosarcoom reageert niet op chemotherapie of bestraling.
“Wachten op een scanuitslag slokt al mijn werkgeheugen op. Ik kan nog geen schroefje sorteren of vak vullen.” Hoeveel hersencapaciteit zou permanente armoede kosten?, vraagt zij zich in haar boekje af. Of vluchten voor een oorlog? „Dit zou een heel leuke tijd moeten zijn voor me”, zegt ze. Haar boek verschijnt, en ze is net deze week begonnen bij GroenLinks, de partij waarvan ze al sinds haar veertiende lid is. Ze heeft een aanstelling voor twee dagen per week. „Ik vond het niet verantwoord meer om volledig als zelfstandige door te gaan. Probeer maar eens een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten als zzp’er met een kankerverleden.” Wat ze precies gaat doen, weet ze nog niet. Zou ze politicus willen worden? Flauwe glimlach. „Dat wilde ik altijd wel, maar pas als ik 50 ben. Vooralsnog weet ik niet eens zeker of ik dat wel haal.”


 

Archief 2018