Logboek

Het Logboek (de edities van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier niet meer terug te lezen) verandert 1 januari 2020 weer van een dag- in een Weekboek. Elke week - een enkele keer iets vaker - schrijven over wat week maakt. Of zoals ik het tegenwoordig noem: ik ben in mijn leven onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt: met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug
naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger echter zijn deze links:
daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2020 (deel 1: A t/m G, deel 2: H t/m L,
deel 3: M t/m R, en deel 4: S t/m Z),  2019 en 2018 en
de logboeken van 2017 en najaar 2016.

-----

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 9 uur.

Week 33 - Klok [4]

dinsdag 21 augustus 2018




Als ik de foto van haar verongelukte auto zie, kan ik mij niet voorstellen dat zij nog leeft. Het was ook beter geweest van niet, denk ik achteraf, maar wie ben ik?


Wie ik ben? Niemand, tenminste niet voor haar familie. L. en ik ontmoetten elkaar anderhalf jaar geleden opnieuw. We hebben genoeg aan elkaar. Kennismaken met haar of mijn familie laten wij aan ons voorbijgaan. 
Als ik haar in de late middag en vroege avond niet thuis kan bereiken, maak ik mij ongerust. Dit is niets voor haar. Ik bel het kantoor van haar gezelschap en krijg natuurlijk het antwoordapparaat. Halverwege de avond besluit ik haar oudere zus te bellen. Die ken ik niet, maar ik weet hoe zij heet en waar zij woont. Dat mag zo moeilijk niet zijn. Wie ik ben, vraagt zij eerst. “O ja, nu weet ik het.” Dan komt het rotnieuws van het ongeluk en de gevolgen: veel gebroken, ledematen, haar gezicht… Inwendige bloedingen… Artsen kunnen er nog niet veel van zeggen. Ja, zij verkeert in levensgevaar. Nee, ik kan niet op bezoek komen; alleen haar ouders zijn in het ziekenhuis geweest, zij als zus nog niet. Zelfs haar ouders konden haar nog niet zien en overlegden alleen met twee artsen. We spreken af dat ik haar de volgende dag weer bel.

De twee weken erna belt haar zus steeds vaker uit zelf. Het gaat niet beter, doch evenmin veel slechter. Zij is sterk. Die vele breuken, dat is niet het ergst, zelfs niet die in haar gezicht, haar oogkas, kaken. Hoe zij herstelt, maakt niet uit, als zij maar herstelt! De inwendige schade is zorgelijker en het is moeilijk daar veel over te zeggen. De artsen zijn voorzichtig en daarom ligt zij nog steeds op de intensive care. “Nee, je kunt echt nog niet naar haar toe.” Haar zus is met mij begaan. Zij hoorde van L.  enthousiaste verhalen over haar teruggekeerde jeugdvriend. Voor haar ouders ben ik gewoon een nieuwe vriend, die ze nog niet eens hebben ontmoet.  
Dat ik “een vriend” ben, blijkt als ik, weer een week later, met haar zus afspreek in het ziekenhuis. Wat lijkt die op haar zusje van destijds, zeg: spichtig, niet gespierd. Haar ouders zijn er nog niet. L. ziet er slechter uit dan ik had verwacht. Gehavend gezicht, armen en benen in gips, ijzers, kragen, verbanden en veel slangen. Zij ligt daar met haar ogen ver, maar wezenloos open. Even lijkt zij mij te herkennen, al reageert zij niet. “Beter worden, lief, vecht je erdoorheen. Word beter.”

Archief 2018