Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier, om persoonlijke redenen, niet meer terug te lezen. Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Van de zomer van 2017 tot mei 2018 vang ik mijn berichten in 120 woorden: de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad. Daarna bestaan die 120-woordenberichten korte tijd niet uit losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, per aflevering genummerd. Als ik ook die voorwaarde loslaat, zijn logboeken voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

In 2019 besluit ik de logboeken voortaan te nummeren, zodat zij gemakkelijk zijn terug te vinden - in de eerste plaats voor mezelf! Aan het einde van het jaar moet de teller op 365 staan. En ja, oplettende lezer: meestal loop ik behoorlijk op de zaken (lees: data) vooruit: elke dag immers dient zich aan hoofd en hart veel méér aan dan te vatten is in één enkele aflevering. 

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Week 52 - Vogel

zondag 24 december 2017

[Voor één keer geen 120 woorden, maar veel meer. Sluit aan op de Jungske-serie en is helaas waargebeurd.]

Willy heeft… Willy had een vogel: een zwarte. De enige zwarte zelfs. Maar niet alleen daarom valt hij op. Het is een heel bijzondere, want hij heeft maar één poot. Dat vindt hij zielig. Parkieten zijn niet zwart. En niet zo groot. Dit is geen parkiet, dit is een kraai. Waarom hij een poot mist? Geen idee.
Hij probeerde het, maar het lukt nog geen zes minuten en dertig seconden: op één been staan. Hij oefent om het langer vol te houden. Die vogel zit de hele dag op die ene poot zonder zijn evenwicht te verliezen. Word je daar niet heel erg moe van?
De kraai valt op omdat hij alleen zit. Zonder gezelschap in een kooi. Die staat op het tafelblad vlak voor de volière. Dat was omdat Willy hem zelf wilde voeren. Na het avondeten zet Gerrit de kooi weer terug, achterin de volière. Dat moet Gerrit wel doen, want niemand anders mag in de volière komen. Daarom moest Willy hem op de tafel voeren. Nou ja, in de kooi op tafel.
De kraai mag nooit los. Is dat omdat hij anders ontsnapt? En in de volière dan? Blijft hij dan in zijn eigen kooi omdat hij anders gaat vechten met de parkieten? Dat zou kunnen, omdat het verschillende rassen zijn. Je moet het allemaal maar weten!

Hij noemt hem ‘vogel’ en die vogel is een kraai. Maar hij heeft daarnaast een echte naam. Die is hij vergeten. Hij wil het niemand vragen, zeker Gerrit niet. Die vindt het vast dom dat hij die naam vergeten is. Willy kan hij het niet meer vragen, want Willy… Nu zorgt Gerrit voor Willy’s vogel. Maar hij zet hem nog altijd op het tafelblad. Alsof Willy elk moment terug kan komen.
Hij kan het ook gaan doen! Nee, hij moet het doen! Voor Willy! Hij vroeg het Gerrit toen die daarstraks naar zijn vogels liep. Dat hij dat zou kunnen doen. Dat hij precies weet hoe vaak dat moet en dat hij niet te veel eten mag geven. Hij heeft best wel goed opgelet hoe Willy dat altijd deed. En ook hoe Gerrit dat altijd doet. Dat hij dus weet dat water het belangrijkst is. En dat hij die spijker goed voor het deurtje moet draaien, zodat de vogel niet ontsnapt. Gerrit antwoordde dat hij erover zal nadenken. En het moeder zal vragen.

Moeder vindt het goed. Zal Gerrit het echt gevraagd hebben? Of heeft hij moeder er niet mee willen lastigvallen en zelf besloten dat… De vogel gaat naar de schuur. Ook ’s nachts. Daardoor hoeft hij niet bij de volière te komen. Waarom moet dat nou allemaal anders? Vertrouwt Gerrit hem minder goed dan hij Willy deed? Hij moet er wel aan denken om ’s avonds na het eten… Nou, als hij tegelijk met Gerrit naar de vogels gaat, vergeet hij dat heus niet, hoor!
In de schuur zit de vogel helemaal alleen, zegt hij tegen Gerrit. Hij hoopt dat die de naam van de kraai een keertje zegt. Of zou Gerrit die al net zo vergeten zijn? Paul gaat hij die naam uiteraard niet vragen. In de schuur hoort de kraai de andere vogels niet eens. Die hoort hij heus wel, antwoordt zijn broer. En alleen? Dat zit hij nu ook. Maar nu heeft hij toch gezelschap van al die andere vogels? Sommige vogels hebben meer behoefte aan gezelschap dan andere, zegt Gerrit. Die zal het wel het beste weten. Misschien is de schuur nog wel fijner voor hem dan de volière. Daar heeft hij in elk geval het rijk voor zichzelf. Daar kan hij lekker rustig huppelen op die ene poot.

Elke keer als hij hem voert, denkt hij aan Willy. Hij hoeft niet te huilen. Hij doet dit misschien wel in plaats van huilen. Gerrit vind je tegenwoordig steeds vaker bij zijn vogels. En Paul? Die zit op zijn kamer of is weg. Geen idee waar die allemaal heen fietst. Zijn moeder ziet hij bijna niet. Zij kan alleen maar huilen en treurig kijken. En roken en koffiedrinken.
Hij vindt het fijn dat hij dit kan doen: voor Willy’s vogel zorgen. Zo is Willy er elke dag toch een beetje bij. Via hem. Als mensen vragen of hij verdriet heeft, zegt hij dat hij voor Willy’s vogel zorgt en hoe vaak hij dat doet. Dat is makkelijker dan praten over verdriet.
Zo doet hij het ook op school. Tegen sommige van Willy’s klasgenoten heeft hij pas gezegd dat hij nog steeds voor de vogel zorgt. Dat hij die ’s morgens als eerste werk eten en drinken geeft en na school en na het avondeten weer. Meestal heeft de vogel nog genoeg, maar je weet maar nooit. En dat drinken veel belangrijker is voor een dier dan eten, heeft hij erbij verteld. Misschien moet hij zijn spreekbeurt… Neemt hij de vogel gewoon mee. Of nee, dat is voor een kraai helemaal niet fijn. Een vogel hoort niet in de bus of in de klas. Niet in een kooi. Zelfs niet in een volière.

Hij schrikt zich rot. Zomaar vanuit het niets vraagt hij zich af wanneer hij de vogelbakjes het laatst heeft gevuld? Gisteren is hij dat vergeten. Maar eergisteren… Hij weet het niet. Hoe kan dat nou? Hij moet dat doen voor Willy. Dat heeft hij toch beloofd.
Hij zit vanmiddag alleen in de achterste bank. Het is twee uur dertien. Dit duurt veel te lang. Hij hoort niet wat de meester zegt. Om half drie is het pas half drie. Om zeventien minuten na drie moet hij zo erg plassen dat hij het geen dertien minuten meer ophoudt. Hij durft zijn vinger niet op te steken. Hij is bang dat hij zo dadelijk flauwvalt. Hij kan beter blijven zitten.
Hij moet naar huis. Als de vogel nog water heeft, is er niets aan de hand. En anders heeft Gerrit misschien gezien dat… Die heeft er niets van gezegd. Maar als Gerrit het niet gezien heeft…
Zes minuten voordat de school uitgaat, plast hij in zijn broek en niemand die er iets van merkt, van zegt. Snel wegwezen! Als de meester morgen vraagt naar die plas op de grond, was die echt niet van hem!

Hij rent naar de bushalte, maar gaat niet staan wachten. Drie uur zesendertig. De bus komt pas over zeven minuten. Hoe ver is het naar huis? Een half uur lopen? Hij kan toch niet met zijn natte broek aan de bushalte gaan staan of in de bus gaan zitten. Anderen zien dat meteen. Hij mag de weg helemaal niet oversteken op deze plek, maar doet het wel. Hij is al bijna tien! Hij rent een stuk, maar houdt dat niet vol. Hij krijgt pijn in zijn zij. Het is drie uur tweeënveertig. Nu arriveert de bus. Met de bus hoef je maar twee haltes, maar lopend… Het is verder dan hij dacht.
Nu even gewoon lopen. Zijn broekspijpen zijn nog niet opgedroogd. Dat voelt naar. En zijn sokken en schoenen zijn nat. Wat vies. Als zijn schoenen zijn opgedroogd, gaan die stinken. Kan hij zijn schoenen nooit meer aan? Nu weer even rennen… Is hij zijn jas vergeten? Ja, die hangt nog op school. In november! Het is veel te koud zonder jas. Wordt hij ook nog ziek.

Hoe laat is het? Tien voor vier. Hij heeft de bus voorbij zien rijden. Stom dat hij… Hoe kan het in godsnaam dat hij vergeten is Willy’s vogel… Over twintig minuten moet hij thuis kunnen zijn. Dat is behoorlijk later dan wanneer... Maar de bus is evenmin altijd precies op tijd. Het is heus niet zo dat iemand hoeft te merken dat hij niet met de bus kwam. Nu maar hopen dat niemand ziet dat zijn kleren…
Omdat hij van deze kant komt, zien ze hem niet. Als hij met de bus komt wel, want die keren komt hij van de andere kant aangelopen. Maar zijn moeder zit heus niet de hele dag voor het raam te kijken waar hij blijft. Die heeft wel wat anders te doen. Roken bijvoorbeeld. Het is vier uur twaalf. Niet te hard met de poort… Nu zachtjes naar de schuur….

De vogel heeft zijn evenwicht verloren en ligt op zijn zij op de bodem van zijn kooi. Stijf. De ogen opengesperd, de snavel een stukje open… De bakjes zijn leeg. Helemaal leeg. Dit is zijn schuld. “Willy, dit is mijn schuld. Mijn schuld. Vergeef ons onze schuld en verlos ons van het kwade. Amen.” Dit is zijn schuld.
Zijn handen trillen en hij knoeit met het eten en het water. Hij vult de bakjes. Alsof er niets is gebeurd. Hij zal zeggen dat de vogel gewoon te eten had en natuurlijk was er water. Want dat is het belangrijkste, dat hij water heeft. Dat hij dat echt niet vergeten is. En dat de vogel misschien ziek was. Dat hij vast al heel oud was. Maar dat weet hij niet. Gerrit weet dat vast wel. Die zal dat kunnen zien. Hij zal het niet aan zijn moeder vertellen. Die heeft al zoveel verdriet. Die kan dit er echt niet bij hebben. Die zal boos op hem zijn, omdat dit het enige was wat hij nog voor Willy kon doen en dat heeft hij nagelaten. “Was dat nou zoveel moeite?”, zal zij vragen. Hij staart naar de vogel en krijgt het opeens heel erg koud. Zo koud dat hij bijna flauwvalt. Dat is al de tweede keer vandaag.

Snel doet hij andere kleren aan. Hij stopt zijn natte broeken en zijn sokken tussen de andere was. Zo valt het hopelijk niet op. Hij loopt op sokken naar beneden, met zijn natte schoenen in de hand. Die zet hij achter de mand in de bijkeuken. Hij doet nu maar even zijn sandalen aan. In november! Hopelijk zijn die schoenen morgen…
Het is half vijf precies. Hij loopt naar de kamer en zegt tegen zijn moeder dat hij thuis is en in de keuken even een kopje thee neemt. Omdat hij het koud heeft. Toen hij de bus in stapte, had hij pas gemerkt dat hij zijn jas op school heeft laten hangen, zegt hij. En dat hij daarom nu wel even zijn andere jas aan doet. Die mooie jas. Zijn zondagse. Dat hij daar heel voorzichtig mee zal zijn. En dat hij nog even naar buiten gaat. Zij hoort hem niet eens, zo lijkt het wel. Hij vertelt niet dat hij wil blijven wachten tot Gerrit van school komt gefietst. Dat duurt nog dertig minuten.

Gerrit komt aangefietst. Het is vier uur zevenenvijftig. Gerrit kijkt verbaasd omdat hij daar staat. Of vanwege die zondagse jas en die sandalen.
Dat de vogel van Willy dood is, zegt hij meteen. Dat hij thuis kwam en dat de vogel dood in zijn kooi lag. Dat hij niet weet… Gerrit geeft geen antwoord, loopt hem voorbij, zet zijn fiets tegen de keukenmuur en loopt door naar de schuur. Hij loopt achter Gerrit aan om met hem naar binnen… Gerrit doet de schuurdeur voor zijn neus dicht.
Hij kijkt door het raam en ziet hoe Gerrit daar minutenlang staat. Die pakt dan de vogel uit de kooi en loopt ermee zijn kant op, naar de deur. Gerrit heeft hem heus wel zien staan, maar… Hij doet een stap achteruit. Gerrit loopt hem voorbij zonder hem aan te kijken. Dat vindt hij misschien nog erger dan toen hij de deur… De deur laat hij open staan. Gerrit houdt de vogel met beide handen vast. Die ligt in zijn handen. Op zijn rug in Gerrits handen. Met zijn ene poot omhoog. Eerbiedig. Hij zou willen dat hij naast Gerrit mocht lopen. Samen met de anderen. In mooie donkere kleren. Zoals ze dat ook deden toen… Gerrit heeft verstand van vogels. Die weet wat hij nu moet doen. Die zal de vogel gaan begraven. Waarom kunnen ze hem niet samen…

Hopelijk zal Gerrit hem zo dadelijk roepen. Hij blijft staan. Gerrit loopt door. Over het grasveld en hij staat pas stil aan de rand. Gerrit blijft met de rug naar hem toe staan. Waarom hij daar zo staat? Waarom legt hij de vogel niet in het gras? Waarom graaft hij geen kuil? Waarom vraagt hij hem niet… Moet hij de schop gaan brengen?
Nu ziet hij de schouders van zijn broer schokken. Huilt Gerrit? Er gebeurt nog iets veel ergers. Het ergste, het allerergste wat hem nu kan overkomen: Gerrit kijkt naar de lucht. Nee, naar de Hemel! Naar papa en Willy! Die zien nu ook dat Gerrit… En dat allemaal door zijn schuld… Zijn schuld, zijn grote schuld… Gerrit schreeuwt. Zo hard.

“Dit is mijn schuld. Dit is mijn schuld. Heer, vergeef ons onze schuld en verlos ons van het kwade.” Het kwade! Nog voor Gerrit zich zal omdraaien, moet hij... Hij loopt weg van de schuur, pakt snel zijn fiets en vertrekt. In zijn zondagse jas en op zijn sandalen. Hij wil weg, voor altijd weg.

Lees ook hier. 

Archief 2017