Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier, om persoonlijke redenen, niet meer terug te lezen. Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Van de zomer van 2017 tot mei 2018 vang ik mijn berichten in 120 woorden: de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad. Daarna bestaan die 120-woordenberichten korte tijd niet uit losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, per aflevering genummerd. Als ik ook die voorwaarde loslaat, zijn logboeken voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

In 2019 besluit ik de logboeken voortaan te nummeren, zodat zij gemakkelijk zijn terug te vinden - in de eerste plaats voor mezelf! Aan het einde van het jaar moet de teller op 365 staan. En ja, oplettende lezer: meestal loop ik behoorlijk op de zaken (lees: data) vooruit: elke dag immers dient zich aan hoofd en hart veel méér aan dan te vatten is in één enkele aflevering. 

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Week 2 - Dienstreis

donderdag 12 januari 2017

Youp van 't Hek en Frank Verhallen voor Het Rode Huis



Elke theatervoorstelling, zo vertelt Youp van 't Hek zijn publiek, zal hij ermee afsluiten, zolang hij nog optreedt. De show is voorbij, de bloemen zijn in ontvangst genomen, de zaal mag nog even gaan zitten. Dan volgt die toegift: Niemand weet hoe laat het is.

Maandagavond zag ik zijn huidige programma, Licht, weer eens. Misschien wel voor de vijftiende keer. Zo'n tien keer tijdens de voorlees- en inspeelperiode, wanneer hij bedenkt en bouwt, schaaft en slijpt, en inmiddels alweer een keer of vijf sinds hij de voorstelling moest afbreken wegens ernstige gezondheidsproblemen, een ingijpende hartoperatie onderging en lang revalideerde.

In die aanloopfase, vanaf begin september 2015, waren we het eens over de potentie van de voorstelling, die niet alleen Licht moest heten, maar ook licht moest zijn. Wel verschilden we van mening over het einde. Zoals het moet, hoort een maker andere meningen aan, maar deze cabaretier is iemand die er op dat moment zelf het liefst niet op reageert. Hij denkt na over wat je zegt en komt er later op terug: na een uur, soms nog vanuit de auto, of een volgende dag vanaf thuis. Deze keren gebeurde dat niet, ook al bleef ik mijn bezwaar herhalen.

In oktober 2015 begon zijn gekwakkel: ziek op het podium maar doorspelen, ziek op het podium en moeten afbreken, ziek op het podium en de tournee kort onderbreken en tenslotte ziek op het podium en na vijftien minuten spelen moeten besluiten dat het zo echt niet langer kan. In de tweede week van december 2015 ging de roodwitgestreepte handdoek in de ring. Hoe dat voor hem voelde, wat er aan voorafging en wat er allemaal op volgde, hoef ik niet te vertellen. Dat beschrijft hij zelf immers uitvoering in Hart, het extra verhaal in zijn gelijknamige bundeling van zaterdagse NRC-columns.

Eind november 2015, toen hij en iedereen om hem heen zich al ernstig zorgen maakten over zijn verslechterende gezondheid, was ik voor de laatste keer bij zo'n inspeelvoorstelling. Het was voor het eerst dat ik na afloop dacht: ik zeg nu niets meer over dat einde, want hij weet inmiddels hoe ik erover denk. We praten nog wat na in de foyer en hij zegt, vanuit het niets, te overwegen dat einde te veranderen. Kijk, dat zijn de echte makers: je laat je niets opdringen en verandert pas iets als je er zelf in gelooft en eraan toe bent.
Door zijn uitval, kort daarna, komt dat er dan niet meer van. Totdat hij, april 2016, weer voorzichtig zijn rentree maakt in de theaters. Hetzelfde programma, dat nog meer aan kracht heeft gewonnen door de rake terzijdes over zijn hartproblemen en dat heel nieuwe einde. En door de mededeling dat hij het podium nooit meer zal verlaten zonder dit lied gezongen te hebben: Niemand weet hoe laat het is.

Dat lied maakt al deel uit van zijn debuut, in 1989, als oudejaarsavondconferencier, waarmee hij zich overtuigend profileert als waardig opvolger van Wim Kan en Freek de Jonge. Het betekent zijn definitieve doorbraak als populairste cabaretier van Nederland, al zitten zijn zalen al vanaf 1983 elke avond vol. In deze Oudejaarsconference '89 klinkt het krachtiger dan ooit door: Carpe Diem, zijn theaterthema en levensmotto:

Deze dag is de eerste van de rest van mijn leven,
dat denken er velen bij hun ontbijt,
terwijl ik altijd denk: ik heb nog maar even;
dit wordt de laatste van een prachtige tijd.

Er hebben mensen aan de buis gezeten, die oudejaarsavond 1989, die besloten het in 1990 rigoureus anders te gaan doen; ze pakten nog dezelfde avond hun koffers, namen afscheid van hun voormalige geliefde (die inmiddels tot 'huisgenoot' was verworden) en verlieten de woning...

In de ongeveer vijfentwtinig programma's die Youp van 't Hek vanaf 1984 als solist maakt, varieert hij steeds op dat ene fascinerende gegeven: de discrepantie tussen wat het maatschappelijk leven van je verlangt en wat je zelf, diep in je hart, zou willen. Zijn humor en scherpte spreken een groot theater- en lezerspubliek aan (wat de gelijkopgaande populariteit van zijn zaterdagse NRC-column verklaart), maar zeker ook dat levensmotto: Leef toch je leven als het allerlaatste uur. Want al tonen zijn stellingname en grote sociale btrokkenheid overduidelijk aan dat hij zelf behoort tot de kritische, progressieve bevolkingsgroep, qua thematiek grijpt hij steeds een laag dieper, naar veel universelere onderwerpen. Zoals het verliezen van de idealen van je jeugd en de verburgerlijking en sleur die in je leven sluipen als je volwassen wordt. Dan laat je je immers vangen in het web van een te drukke baan, een te dure hypotheek, de waan van de dag, een niet altijd bijster gelukkig en inspirerend gezinsleven en... die steeds dreigender angst voor de Dood, omdat de klok nu eenmaal doortikt... In deze problematiek herkent zowat honderd procent van de volwassen bevolking wel iets of bijzonder veel van zichzelf.  

Zo'n vijfentwintig programma's dus en zo'n dertig jaar lang was het thema dat je elke dag moet plukken de levensopvatting die deze cabaretier graag aan zijn publiek wilde meegeven, zeker ook met dit lied. Maar sinds het najaar van 2015 kwam het accent op andere regels te liggen:

Wanneer zal de dood zijn fiets bij mij stallen?
Wat zal mijn clou zijn; hoe is mijn plot?


Hij keek, totaal onverwachts, niet het Leven, maar de Dood in de ogen en iedereen die hem het lied sindsdien hoort en ziet zingen, realiseert zich dat terdege. Maandag in Bussum zag ik na afloop een echtpaar zitten, hard huilend en elkaar troostend. Die twee ervoeren vast al aan den lijve hoe laat het is. En iemand anders hoorde ik zeggen: "Ik heb nu nòg kippenvel."

Beneden in de artiestenfoyer viel er niets te zeuren: niet over het einde, nee, over helemaal niets. Er viel alleen maar bewondering uit te spreken. Daarom nu ook hier.

 


Hierboven en hieronder: scripts van voorleesvoorstellingen van Licht



Archief 2017