Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier, om persoonlijke redenen, niet meer terug te lezen. Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Van de zomer van 2017 tot mei 2018 vang ik mijn berichten in 120 woorden: de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad. Daarna bestaan die 120-woordenberichten korte tijd niet uit losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, per aflevering genummerd. Als ik ook die voorwaarde loslaat, zijn logboeken voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

In 2019 besluit ik de logboeken voortaan te nummeren, zodat zij gemakkelijk zijn terug te vinden - in de eerste plaats voor mezelf! Aan het einde van het jaar moet de teller op 365 staan. En ja, oplettende lezer: meestal loop ik behoorlijk op de zaken (lees: data) vooruit: elke dag immers dient zich aan hoofd en hart veel méér aan dan te vatten is in één enkele aflevering. 

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Week 16 - Gevlogen

dinsdag 19 april 2016

Als ik aan mijn broer Ger denk, denk ik aan vogels. Die heeft hij zijn hele leven gehad. In mijn roman schrijf ik daar zelfs over. Gisterochtend kwam die passage in mij op, kort nadat ik het telefoontje van zijn dochter kreeg dat haar vader zojuist was overleden, pas 66 jaar oud. Onderstaande passage in memoriam.

Je loopt via de keuken over de stoep en zo langs de schuur naar de volière. Hij komt niet vaak op dit pad. Gerrie wel, want die heeft vogels. Gerrie heeft vogels in allerlei kleuren. Die horen zijn voetstappen al wanneer hij… Of nee, ze horen het al aan de klink van de keukendeur. Als Peter of hij naar buiten lopen, gebeurt er niets. Maar komt Gerrie eraan, beginnen ze meteen met z’n allen te fluiten. Een kanarie klinkt anders dan een parkiet en anders dan… een andere vogel.
Hij loopt wel eens achter Gerrie aan. Die voert zijn vogels ’s morgens om zeven uur vijftien en ’s middags om precies vijf uur, vlak voordat zij gaan eten. Via het raam van de schuur ziet hij hoe Gerrie de verschillende kooien opent, de voeder- en waterbakjes optilt en die aan de andere muur weer vult. Daar staan bakken met allemaal verschillend voer. Grote erwten, kleine korrels. Heel veel kleuren. Zelf vindt hij het ene eten ook smakelijker dan het andere. Dat hebben vogels natuurlijk net zo. Op de tafel heeft Gerrie de emmer neergezet waaruit hij water schept voor in de bakken die hij daarna weer omgekeerd aan het dak van de volière hangt. Dat zijn watertorens, zegt Gerrie. Je hebt ook gebouwen die watertorens heten, leerde hij op school. Het water druppelt vanuit de bak naar beneden. De vogels gaan meteen drinken. Die houden blijkbaar het meest van vers water. Ze drinken uit de bodem terwijl ze zich vasthouden aan de rand. Sommige vogels proberen al vliegend te drinken. Dat is mooi om te zien. Gerrie doet er ’s morgens ongeveer twintig minuten over en ’s avonds zelfs meer dan dertig. Dat is niet omdat hij meer werk heeft, maar omdat hij er ruimer de tijd voor neemt.

Soms kijkt hij niet door de ruit de schuur in, maar zorgt hij ervoor dat hij nog dichterbij komt, tot aan de volièredeur. Die staat op een kier. Hij is bang dat vogels ontsnappen, maar toch niet heel erg. Want anders deed zijn broer de deur wel helemaal dicht. Gerrie weet heus wel dat hij daar staat, maar hij zegt niks. Met hem mee naar binnen gaat hij nooit. Dat Gerrie sommige vogels over hun kopje streelt, kan hij vanaf hier zien. Als Gerrie zijn hand uitsteekt, komen ze al met hun kopje naar voren. Ze houden het helemaal schuin. Andere aait hij nooit. Niet dat hij ze niet zal willen aaien. Voor hem zullen alle vogels gelijk zijn. Maar dat zal zo’n vogel wel niet fijn vinden. Dat Gerrie dat allemaal zo precies weet!
Het zijn wel vijftig vogels. Soms zitten er zo’n tien bij elkaar in een hok. Gele, oranje, groene, blauwe. Zelf rode. Ze hebben niet één kleur, dat zie je als je beter kijkt. Soms heeft één parkiet al vier verschillende kleuren. Maar meestal is er één kleur die overheerst. Als Gerrie tegen iemand vertelt over zijn parkieten, zegt hij steeds dat hij witte en zelfs paarse parkieten heeft. En die andere kleuren dus. Dat zijn grasparkieten. Maar daarnaast heeft hij nog… Nou ja, andere parkieten. Sommige zijn groter. Die grotere zijn het minst bang, zo lijkt het. Die vinden het het fijnst als Gerrie bij ze is. Door goed naar zijn broer te kijken, weet hij inmiddels precies welke zich goed laten aaien. Tenminste door Gerrie. Zouden ze zich door hem net zo laten strelen? Hem kennen ze niet. Nou ja, lang niet zo goed. Maar ze zien hem hier heus wel staan!

Dit verhaal gaat verder. Over een bijzondere tragische gebeurtenis bij diezelfde kooien en met in de hoofdrol een zwarte kraai.
Vannacht droomde ik dat Ger tussen de kooien staat achter zijn huidige huis. Hij is niet meer de jongen van toen; ik zie hem zo oud als hij nu was. Hij kijkt naar mij en lacht, want hoor ze toch eens fluiten! Opeens valt alles stil; geen vogel die zich nog verroert, laat staan geluid maakt. Midden in het gras zie ik opeens die kooi staan met daarin die zwarte kraai.
Ger kijkt mij angstig aan. Zo wanhopig dat ik het onmiddellijk op een lopen zet. Dan schrik ik wakker en huil: waarom ben ik gevlogen; waarom heb ik hem niet beschermd?

Archief 2016