Logboek

De weekboeken van 2012 t/m najaar 2016 zijn hier, om persoonlijke redenen, niet meer terug te lezen. Het Weekboek heet inmiddels Logboek en is letterlijk een Dagboek.

Van de zomer van 2017 tot mei 2018 vang ik mijn berichten in 120 woorden: de lengte van het dagelijkse IK'je op de achterpagina van NRC-Handelsblad. Daarna bestaan die 120-woordenberichten korte tijd niet uit losse afleveringen, maar vormen zij een geheel, per aflevering genummerd. Als ik ook die voorwaarde loslaat, zijn logboeken voortaan zo lang als ze moeten zijn.  

In 2019 besluit ik de logboeken voortaan te nummeren, zodat zij gemakkelijk zijn terug te vinden - in de eerste plaats voor mezelf! Aan het einde van het jaar moet de teller op 365 staan. En ja, oplettende lezer: meestal loop ik behoorlijk op de zaken (lees: data) vooruit: elke dag immers dient zich aan hoofd en hart veel méér aan dan te vatten is in één enkele aflevering. 

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links vooruit naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019 en 2018 en de logboeken van 2017 en najaar 2016.

Dat in het beeld de klok op vijf uur staat, is omdat ik elke ochtend schrijf van 5 tot circa 8 uur.

Week 14 - Achteraf

woensdag 06 april 2016

“Lopen is uitgesteld vallen”, noteert schrijver-televisiemaker Wim Brands (1959-2016) in 's Middags zwem ik in de Noordzee, zijn laatste gedichtenbundel, uit 2014. Lopen is uitgesteld vallen is het eenregelige gedicht dat vooraf gaat aan twee gedichten over zijn vader en een brief over diens zelfmoord. Die man, met wie hij een moeizame relatie had “om het vriendelijk uit te drukken”.
In die aan zichzelf gerichte brief – Beste Wim – schrijft de dichter over zijn eigen burn-out, over dwanghandelingen die zich hebben ontkiemd en over de wijze waarop “een verstandige therapeut” hem daaraan leert te ontsnappen en uitlegt dat “jouw neurotisch gedrag geen teken van gekte was, maar de taal die jouw gekte produceerde om het dagelijks leven dragelijk te houden”: 

“Je leerde hoe je kon ontsnappen aan je eigen dwangneuroses, ja aan jezelf, door het lezen van boeken, het schrijven, het maken van programma’s. […] Maar hoe goed of aardig het werk soms ook was dat je afleverde, het duurde lang voordat je het kon beschouwen als de waardevolle productie van iemand die ernaar streefde een ambacht onder de knie te krijgen. Eigenlijk dacht je dat het toevalstreffers waren. Zoiets als een epileptische aanval die zich voordeed zonder aankondiging of reden.” 

Die onverwachte epileptische aanvallen kreeg zijn gehate vader, lezen wij in diezelfde brief. Eén keer op Hemelvaartsdag, als zij samen fietsen en zijn vader de sloot in rijdt. De zoon “zag dat hij niet kon verdrinken […] en besloot weg te fietsen”:

“Ik weet dat we de tijd niet kunnen terugdraaien. Dat hoeft ook niet – misschien heeft die niet-alledaagse jeugd je wel gedwongen een weg te bewandelen die je anders nooit had gekozen. Count your blessings. Tegelijkertijd wil ik tegen die jongen die daar op Hemelvaart nog steeds wegfietst zeggen dat hij zich niet hoeft te schamen. Hij vlucht niet, Hij ontsnapt.”

In 2013 hebben Wim Brands en ik elkaar in Den Bosch een paar keer ontmoet. Toen ik daarna deze gedichtenbundel met dit verhaal las, dacht ik dat hij alles inmiddels had overwonnen. Alsof ik zelf niet beter weet. Toch had ik hem daarover graag nog eens gehoord. Ik realiseerde mij niet dat hij nog altijd zijn val uitstelde, dat hij op de vlucht bleef, dat hij op maandag 4 april zou stoppen met lopen, met ontsnappen.

Het tweede gedicht van de bundel eindigt met de zin: “Achteraf is alles altijd eenvoudig.” Dat vond hij zelf een heel mooie regel.

Archief 2016