Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

------

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de 
inhoudsopgaven van 2024-1 (A t/m K) en 2024-2 (L t/m Z), 2023-1 (A t/m K) en 2023-2 (L t/m Z), 
2022-1 (A t/m K), 2022-2 (L t/m Z) 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 
(A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 22 - 306-308. Hanny Michaelis [3/5]: Onver...

zaterdag 08 juni 2024

Onverwoestbaar. Een woord
als een wimpel
wapperend onder onweerswolken.
Eens werd het gezegd
over mijn moeder. Vele jaren
jonger dan ik nu schreef ze me
uit een kamp op de landelijke heide
bij het plaatsje Westerbork
in een naar buiten gesmokkelde brief:
‘Het is hier best uit te houden.’
Mijn wereldvreemde, beminnelijke
van zijn piano weggesleurde vader
voegde eraan toe: ‘Maak je geen zorgen.
Wij zien elkaar gauw weer.’
Toen ik die regels tien dagen later las
had men hen met honderden lotgenoten
in overvolle, geblindeerde veewagens
dwars door Duitsland vervoerd naar Sobibor
waar ze bij aankomst werden vergast.
Dit gebeurde maart 1943.
Geen stof voor poëzie.

1993


Haar zes gedichtenbundels noemde ik en haar Verzamelde gedichten (met verspreide en met later nog nagelaten gedichten). En de viif uitgaven die Nop Maas samenstelde. Daarnaast is er de bundel Het onkruid van de twijfel (1989), met een keuze uit eigen werk, en een uitgave met een selectie die J.J. Voskuil maakte uit haar gedichten (2005).




Toen leefde Hanny Michaelis nog en waren de gedichten van vandaag al wel geschreven, maar nog niet door haar prijsgegeven. 


Dit leven

Dit leven dat men altijd heeft gevreesd
gaat men tenslotte nog waarderen.
Men ziet opeens hoe blind men is geweest
en leert wat men nooit wilde leren:

dat, als men los van alles staat,
afscheid niet langer een gemis
betekent maar een klein gewin
behaald op wat men achterlaat 
en dat elk einde te aanvaarden is 
als ’t voorspel op een nieuw begin.

1946


Frida Vogels, in het Tirade-nummer dat juli 2007 als In Memoriam verscheen:
Die laatste gedichtenbundel die ze me gaf [Wegdraven naar een nieuw Utopia (1971), fv] was […] alweer meer dan tien jaar oud en er zou er geen meer volgen. Soms had ze het daarover. Ze zei dat er wel flarden, beelden, regels, aanzetten tot gedichten bij haar opkwamen, maar te flauw en vaag om er iets deugdelijks van te maken, zodat ze die oprispingen telkens weer met kracht onderdrukte. En dat ze anderzijds nu kon zien wat er aan haar vroegere gedichten ontbrak en hoe ze dat beter zou kunnen maken, maar het pretentieus vond om dat ook echt te doen.






Nu is niet gezegd dat wie eens een gedicht of roman geschreven heeft, zijn leven lang zou moeten blijven dichten of schrijven. De literatuur, zei Du Perron, is superieur onder de kunsten omdat ze met een minimum aan trucwerk een maximum aan menselijke ervaring kan overbrengen. Daaruit volgt dat wie geen ervaring mee te delen heeft, beter geen pen op papier kan zetten, maar ook dat niet alle ervaring mededeelbaar is. Je kunt veronderstellen dat Hanny Michaelis na haar vijftigste geen gedichten meer schreef omdat haar voornaamste inspiratiebron, de liefde, toen was opgedroogd. Maar ook dat ze, toen de liefde geen toevlucht meer bood, oog in oog stond met de ervaring die in de oorlogsjaren haar verdere leven, en haar poëzie gebrandmerkt had: niet te mogen bestaan. Dat eens bij overmacht gewezen en aan bijna een heel volk voltrokken vonnis bleef ergens van kracht, onbereikbaar voor woorden. Ze kon het niet uitdrukken, alleen maar wegdrukken en een enkele keer met opstandige schrik benaderen. Of loochenen, met haar ongehoorde, tot haar dood toe onblusbare vitaliteit.


Tot zover Frida Vogels.

Tot diep in de avond
blijven de honderden spreeuwen
in hun slaapbomen aan de
drukke gracht klaarwakker.
Bij elke onverwachte
geluidsexplosie zetten ze
het op een schreeuwen.
Hun schrille protest
versplintert het uurglas
van de nacht, geeft stem
aan de stomme wanhoop
van wie door innerlijk
tumult bezocht slapeloos
in het donker liggen.

1972

Archief 2024