Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

------

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de 
inhoudsopgaven van 2024-1 (A t/m K) en 2024-2 (L t/m Z), 2023-1 (A t/m K) en 2023-2 (L t/m Z), 
2022-1 (A t/m K), 2022-2 (L t/m Z) 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 
(A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 22 - 296-298. George Groot [4/5]: Snorretje

dinsdag 04 juni 2024

Zo, Kroonenberg, donder nou maar weer eens op uit mijn spreekkamer. Ga maar buiten spelen met die tent.
          Maar het regent, dokter.
Nou, dan ga je maar naar de conversatiezaal. Ik kan je nou niet gebruiken. Ik krijg straks een patiënt.
          Maar ik zou bij u komen, dokter.
Half drie?
          Vijf voor half drie.
O, nou ja, dat kan. Dan bent u het. Pakt u dan maar twee stoelen en ga maar zitten... op een daarvan. U bent hier nou een week, hè? Kroonenberg is de naam, hè?
          Hoe zegt u?
U weet toch wel hoe u heet? Kroonenberg is de naam, zei ik.
          De naam? Kroonenberg.
Ja, dat zei ik dus: Kroonenberg is de naam.
          Kroonenberg. Wat gek... Ik heet ook Kroonenberg…
Zo. Vindt u het hier leuk?
          Neeeeeeee.
U bent een beetje in de war hè?
          Neeeeeeee.
Daar bent u hier toch voor? U bent toch een beetje in de war?
          Jawel.
Nou, laten we maar meteen beginnen. Doe ik u ergens aan denken?
          Neeeee.
Kom ik u niet bekend voor?
          Neeeee
- U bent niet zo positivistisch ingesteld, hè?
          Neeeee.
Zeg, lijk ik niet een beetje op uw vader?
          Neeeee…. Mijn vader had zo'n klein zwart snorretje onder zijn neus.
Ja, dat komt… De meeste patiënten vinden dat ik een beetje op hun vader lijk.
          Ja…? Neeeee, mijn vader had zo'n klein zwart snorretje onder zijn neus.
          En zijn haar zat een beetje zo schuin over zijn voorhoofd.
Jaja. Jaja. Dat komt dus nooit meer goed… Uw vader leek zeker een beetje op Hitler?
          Nee, mijn vader leek een beetje op mijn Ome Dolf... En op koningin Wilhelmina, 
          want die had zo'n klein zwart snorretje onder zijn neus. 
          En zijn haar zat een beetje zo schuin over zijn voorhoofd. 
          En hij deed altijd zijn arm schuin naar boven als er iemand binnenkwam.
Jaja. Dat komt nooit meer goed… Kunt u pianospelen?
          Jawel.
Verder ook gezond?
          Jawel.
Zeg, kent u het geheim van de smid?
          Jawel.
Doet u dat dan maar eens.

1976


Tot slot twee dialogen en twee monologen, waarvan de laatste morgen. Daarmee sluit ik deze vijfdaagse hommage aan George Groot af - voor nu althans.

Vader en zoon

Hallo.
          Wat zegt u?
Ik zei hallo.
          Wat zegt u?
Hallo. Goeiemorgen.
          O goeiemorgen. Ken ik u?
Eh… Och… Ja!
          Wat komt u doen?
Ik kom u halen.
          O, moet ik hier weg?
Nee, ik kom u elke morgen ophalen.
          O, dat is uw gewoonte?
Ja, sinds ik uit huis ben, kom ik u elke morgen...
          Heeft u hier gewoond?
Ja, ik ben hier geboren.
          Is dit niet míjn huis?
Ja, dit is úw huis. Ik ben hier geboren. Ik ben uw zoon.
          O ja, dat moet dan wel. Hoe gaat het met je?
Goed.
          Studeer je nog?
Nee, ik ben klaar. Ik werk. 
          Zo! Waar?
Bij u in de zaak, pa.
          O. Beval je?
Jawel, hoor.
          Heb je wel promotiekansen?
Nou, dat zou beter kunnen.
          Wie houdt dat dan tegen?
U, pa.
          Hoezo? Mag ik je niet?
Jawel, maar ik denk dat u mij niet wilt voortrekken bij de anderen.
          Gelijk heb ik! Heb je een meisje?
Ik ben getrouwd, pa.
          Zo! Gefeliciteerd.
Ik ben al vijf jaar getrouwd.
          Hé! En heb je kinderen?
Ja, twee: een jongen en een meisje.
          Ach. Hoe heten ze? Hoe heet je eigenlijk zelf?
Bob.
          O, dat heet je naar mijn vader. Of nee, dan heet je naar míj.
          Zeg vertel eens, hoe vindt je moeder dat, die kleintjes?
Pa, moeder is vorig jaar overleden.
          O ja? O, dat is treurig. Waar ligt ze? Dan kan ik er eens heen.
Ze is gecremeerd, pa.
          O! Mis ik haar erg?
Ach, u bent vorig jaar hertrouwd.
          Gelijk heb ik. Een man alleen is ook maar niks. 
          Zeg, maar vertel eens: wat kom je eigenlijk doen?
Ik kom u halen, pa, en we moeten wel weg, want om half tien heeft u een afspraak.
          Ja, met mijnheer De Vries.
En om twaalf uur zou u even…
          Naar de aandeelhoudersvergadering gaan op Oud-Wassenaar.
          En om half drie gaat mijn vliegtuig… Hoezo? Dat weet ik allemaal wel, hoor. 
          Je vader vergeet nóóit een afspraak!


En, als gezegd, hierbij de eerste van twee monologen.

4 mei – Twee minuten stilte

Ik heb zo’n hekel aan die twee minuten stilte
Daar zie ik elke vierde mei weer tegenop
Kijk, dat komt – ik heb astmatische bronchitis
Dus als ik ademhaal, dan piept het in mijn krop
Als op de vierde mei een ieder staat te zwijgen
Nou, dan kun je mij dus duidelijk horen hijgen
Dan hoor je enkel het getwinkeleer van vogels in de lucht
En het piepende geluid van mijn astmatische gezucht

Archief 2024