Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

------

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de 
inhoudsopgaven van 2024-1 (A t/m K) en 2024-2 (L t/m Z), 2023-1 (A t/m K) en 2023-2 (L t/m Z), 
2022-1 (A t/m K), 2022-2 (L t/m Z) 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 
(A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 22 - 295. George Groot [3/5]: Hij en zij

maandag 03 juni 2024

HIJ:
Ik was een jongen uit het land van melk en honing
Al toen ik zes was, liep ik in een overall
En ging ik soms al mee te hooien voor de lol
Dan kreeg ik af en toe een kwartje als beloning
Het jaar daarop kon ik de trekker al besturen
Ik was leergierig en ik had een goed verstand
En elke avond las ik drie kwartier de krant
Dus men besloot me naar de HBS te sturen

Omdat mijn ouders steeds maar zeiden hoe bevoorrecht ik wel was
Haalde ik altijd goeie cijfers, werd de beste van de klas
Als ik vrij van school was, hielp ik op het land
Ik was, om zo te zeggen, vaders rechterhand
Maar toen ik mijn diploma eenmaal had
Was ik het zat

En ik vertelde aan mijn ouders dan ze niet moesten verwachten
Dat ik op hun boerderijtje op m’n dood ging zitten wachten
Dat ik niet van plan was mee te doen aan hun vervloekte zorgen
Van: die koe wil weer niet kalven en wat brengt de dag van morgen
Dat ik gek werd van het dorp waar elke mooie boerenmeid
Enkel om haar vaders centen tot een huwelijk werd verleid
Dat ik daar geen dag meer bleef, maar dat ik wegging naar de stad
Waar een mens met kwaliteiten op zijn waarde wordt geschat
Waar een man zich kan ontplooien, waar een vrouw weet wat ze wil
En toen ik uitgesproken was, nou… toen bleef het even stil
Het spreekt vanzelf dat Pa en Moe geweldig schrokken
Ze zeiden: ‘Jongen toch, hoe haal je ’t in je hoofd?
Er is ons net een melkgarantieprijs beloofd…’
Maar ik ben ’s morgens met de eerste trein vertrokken

Na heel lang zoeken vond ik een kamer met twee stoelen en een bed
Ik dacht: nu ben ik vrij, er is geen mens die op me let
Inderdaad, geen hond die ook maar even met je praat
Alleen de hospita die klaagt: ‘Wat was u gisteravond laat
En wat doet u eigenlijk voor de kost?’ ‘Ik schrijf een boek, mevrouw’
Dat was niet waar, ik schreef gedichten, die geen tijdschrift hebben wou
En ik leerde niemand kennen, geen artiest, geen mooie vrouw
En zag ik ergens in een kroegje Harry Mulisch, dacht ik: nou 
Geef ik hem een hand
Maar… hij keek zo arrogant…
Op een dag schreef Ome Hein: ‘Je vader gaat het spul verkopen
Hoe moet alles nou alleen doen, want de knecht is weggelopen
En je moeder schijnt de laatste tijd wat lusteloos te zijn
Ik wil me nergens mee bemoeien. Nou gegroet, je Ome Hein’
Ik dacht: ziezo, Ome Hein heeft z’n familieplicht gedaan…
Maar na een week schreef ik naar huis: ‘De verloren zoon, die komt eraan!’

     HIJ EN ZIJ:
     En toen ik terugkwam in het dorp dat ik ontvluchten wou
     En nog in de trein zat te bedenken wat ik thuis wel zeggen zou
     Stapte er een dame in de trein op weg naar Amsterdam
     Ik zei: ‘Mevrouw, u mag wel vlug zijn; als ik uw koffers nou eens nam’
     Ze zei ‘bedankt’ en glimlachte zoals je dat dan doet
     Ik dacht: misschien… als ik jou nou eens eerder had ontmoet…

Ik zit nou op de boerderij
Mijn ouders zijn geweldig blij
Er komt een nieuwe melkmachien
Misschien is het wel goed zo – misschien…


ZIJ:
Na vijf jaar huwelijk dacht ik: ‘k had nooit moeten trouwen
En zeker niet met Evert-Jan, ach ja, de schat
Hij was de mooiste psychiater van de stad
En daarom had-ie als patiënten enkel vrouwen
Nee, kinderen wou-ie niet: dan was je zo gebonden
Voor een moderne vrouw is dat niet zo’n gemis
Want als men ’s avonds onverhoopt wat eenzaam is
Dan is een huisvriend immers snel genoeg gevonden

En ik had een massa vrienden, veel artiesten ook erbij
Dus bij elke première was ik ook van de partij
En ik koos een eigen couturier, de beste van het land
Ik verbeuzelde mijn leven met een cocktail ik de hand
Maar oen ik mijn dertigste verjaardag had gehad
Was ik het zat

En ik vertelde Evert-Jan dat juist hij als psychiater
Moest begrijpen dat ik las had van een geestelijke kater
Dat ik er echt niet meer tegen kon: dat zinloze gedoe
Zo van: ‘Wim trouwt voor de vierde keer, ga jij daar ook naartoe?’
Dat er aan je wordt getrokken, net als aan een marionet
Dat je weet: als iemand aardig is, die wil met me naar bed
Ik vertelde dat ik weg wou, uit de stad, naar een gehucht
Waar een mens gewoon in ’t gras kan liggen staren naar de lucht
Waar de mensen nog zichzelf zijn en niet langs elkander leven
En toen ik eindelijk was uitgepraat, toen schrok-ie toch wel even
Hij werd niet boos, hij schreeuwde niet, ach, psychiaters hebben tact
Hij zei: ‘Maar kindje, ‘k heb daar nooit iets van gemerkt
Ik schrijf je pillen voor, je bent wat overwerkt’
Maar ik heb ’s morgens toch m’n koffers maar gepakt

En daar zat ik op het dorp waar ik een huisje had gehuurd
Ergens noordelijk, zo ongeveer bij Bolsward in de buurt
O, ik had een prachtig uitzicht en plavuizen op de vloer
En ik praatte met de bakker en ook met de groenteboer 
en verder niemand
Op een dag kwam er een brief van Evert-Jan z’n advocaat
Dat-ie onze huwelijkscrisis met mijn man had doorgepraat
En dat-ie, als ik terug wou keren
Het dolgraag nog een keertje wou proberen
Dat we natuurlijk konden scheiden, maar wat had je daar nou aan
Ik heb toen nog ‘ns heel goed nagedacht. Toen ben ik teruggegaan

     ZIJ EN HIJ:
     En toen ik ’s middags, bij de trein, zocht naar een eersteklascoupé
     Met al mijn tassen en bagage, want wat sleept een mens veel mee
     Stapte er een jongen uit de trein net terug uit Amsterdam
     Hij zei: ‘Mevrouw, u mag wel vlug zijn. Als ik uw koffers nou eens nam’
     Ik zei ‘bedankt’ en glimlachte zoals je dat dan doet
     Ik dacht: misschien… als ik jou nou eens eerder had ontmoet…

En ik verwacht m’n eerste kind
Wat Evert-Jan geweldig vindt
Hij wil me graag gelukkig zien
Misschien is het wel goed zo – misschien…

1971

Archief 2024