Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

------

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de 
inhoudsopgaven van 2024-1 (A-F), 2024-2 (G-K), 2024-3 (L-R) en 2024-4 (S-Z),
2023-1 (A t/m K) en 2023-2 (L t/m Z), 
2022-1 (A t/m K), 2022-2 (L t/m Z) 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 
(A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 22 - 292-294. George Groot [2/4]: Een droom

zondag 02 juni 2024

[Luister hier.]


Naar Erich Kästner


Hij schoor zich, staande voor de spiegel aan de wand 
En toen zei zij, terwijl zij koffie binnenbracht 
‘Eh, moet je horen wat ik gedroomd heb vannacht 
Ik had een mes, in mijn rechterhand 
En toen ineens begon ik in mijn arm te snijden 
Ik sneed, ik sneed erin, als in vers brood 
Ik keek jou aan, mijn handen werden rood 
’t Vreemde was ook dat wij allebei niets zeiden 

En op het kleed kwam een bloedrode bloem tot leven 
Toen werd ik bang, ik wou dat jij iets zei 
’t Was zo raar, jij stond er heel afwezig bij 
Toen zei je plotseling: “Waar is dat mes gebleven?” 
Je bukte je, maar het was niet te vinden 
Ik riep: “Help me nou, o god, ik ben gewónd” 
Je zei, alsof het in een boek geschreven stond 
“Er moet maar iemand komen om je te verbinden”

Ik werd ijskoud van binnen, ’t was een soort verdriet 
Dat langzaam groter in me werd, een soort gevaar 
En jij werd ook steeds treuriger, je stond daar maar 
Je wou een dokter bellen, maar je deed het niet 
Je trok je jas aan en je zei: “Ik ga nu even 
Ik moet tenslotte ook nog naar kantoor vandaag” 
En van mijn armen droop het bloed langzaam omlaag 
Toen stierf ik, blij dat ik niet door hoefde te leven…’ 

Hij schoor zich, staande voor de spiegel, was nu klaar 
En in de spiegel kon hij zien dat ze nu zweeg 
Hij dronk in ’t voorbijgaan z’n kopje nog leeg 
Trok z’n jas aan en zei: ‘Nou, dan ga ik maar’

1978


Nou, dan ga ik maar staat ruim een jaar geleden onder de naam van Fred Florusse in de Volkskrant in de overlijdensadvertentie van Cabaret Don Quishocking voor zijn leuke, lieve en verstandige groepslid. Achter de namen van vier ondertekenaars twee met een kruisje: Pieter van Empelen (1943-2017) en Anke Groot-Petersson (1941-2010). De andere twee: George Groot (1942) en Jacques Klöters (1946).
Zou dat nou? staat er 17 mei 2024 onder de naam van George Groot  in de Volkskrant in een bijna identieke advertentie, nu voor het scherpe en gevoelige groepslid van dat gezelschap. Dezelfde namen – zij het met Ankes meisjesnaam met een s te weinig –, maar nu met alleen nog maar Jacques Klöters onder de levenden.


Vage angst

 Ik schrik niet zo van alarmerende berichten
Over geweld, dat wat je in alle kranten leest
En ik schrik ook niet van gestegen werkeloosheid
Dan denk ik: ja, dat zal, dat is wel meer geweest
Er zal ook binnenkort wel weer een crisis komen
Dat heb je eenmaal na zo'n hoge conjunctuur
Nou, ja dan doen we maar wat minder, nee, die dingen
Daar raak ik niet van overstuur

Maar ik heb altijd van die vage angsten
Waarvan ik zelf weet dat dat nergens op slaat
Bijvoorbeeld: dat er zomaar op een dag gebeld wordt
En dat er dan een onbekende voor me staat
Die zegt: ‘U weet het niet, maar ik hoor eigenlijk bij u
Ik volg u dagelijks, vanaf uw derde jaar
Nu kom ik bij u wonen, ik blijf altijd bij u’
Niet dat die man er staat…. Maar ja, het is toch raar
Ik ben nooit bang voor enge kerels in het donker
En in een vliegtuig heb ik ook geen centje pijn
Dan denk ik: als we gaan, dan gaan we met zijn allen
Het kan tenslotte elke dag je laatste zijn…

Nee, ik heb hele andere, onbestemde angsten
Waar ik zelf van denk: hoe kom ik daar toch aan
Bijvoorbeeld, dat ik bij de slager wil bestellen
En dat ik denk dat ik niet meer praten kan
Of dat ik bij de giro geld ga halen
En dan ineens zal roepen: ‘Dit is een overval’
Nee, niet als grap, zo zonder het te willen
Iets in je hersens, gewoon volslagen mal

Ik heb zo'n hekel aan die vage-angstgevoelens
Nee, geef mij dan maar een ramp, gewoon concreet
Een insectenoorlog, honderdduizend doden
Of een botsing met een andere planeet
Of al het drinkwater in Nederland vergiftigd
En hoewel dat straks gebeurt, dat ziet een leek
Schrik ik daar niet van, nee, ik lig nachten wakker
Bij het idee dat ik ooit uit een bibliotheek
Een roman zal lenen met mijn eigen leven
Waar mijn hele levensloop beschreven staat
En dat ik ergens in het midden stop met lezen
Want ik wil niet weten hoe het verder gaat

Dood en rampen zijn gedachten 
waar ik geloof ik wel aan wen
Nee, mijn angst is, denk ik, meer 
dat ik er eigenlijk niet ben…


Zou dat nou? is natuurlijk eveneens een citaat uit een Don Quishocking-voorstelling, deze keer uit de gelijknamige monoloog. George schreef die voor een van de gelegenheidsprogramma’s die het gezelschap na zijn opheffing (in 1981) speelde als VDQS (Voorheen Don Quishocking), namelijk Kaltes Grauen (1985), met Joke Bruijs in plaats van Anke Groot, die niet meer aan een ‘doorstart’ wilde meewerken. Zou dat nou? begon zo:
Je moet niet alles geloven wat de mensen zeggen. De mensen zeggen zoveel, dat kan je niet tellen. Ik had het nou laatst weer. Er woont al een tijdje een vrouwtje bij mij in de straat, zo'n klein vrouwtje. En daar werd nou opeens van gezegd: ‘Die man van haar, die slaat haar.’ Nou ja, dat is niet goed dus, dat keur ik niet goed. Maar ja, ik zeg ook: er is overal wat dus. ‘Nee,’ zegt mijn vrouw, ‘die man, die slaat haar elke dag. Bont en blauw.’ En dan denk ik: nou… Zou dat nou? Elke dag? Hè, dat is me dan toch wat. Elke dag. Ik bedoel, wat heb je nou iemand elke dag te slaan? Dat weet ik toch niet, hoor…

Hobbelpaard

[Luister hier.]

We hadden net een bank gekocht van onverwoestbaar skai 
We zouden naar een caravan gaan kijken in de RAI 
En toen kwam dus mijn man met het bericht van zijn ontslag 
Ik weet precies de dag nog: het was een donderdag 
O, dat m’n man geen werk meer had, dat speet me niks, o nee 
Ik heb nooit stommer werk gezien dan het werk dat hij deed

Ik ben een keer gaan kijken, er was een open dag 
Dan mag je zien hoe stom je man z'n werk wel wezen mag 
Ik zag dat-ie daar steeds een hendel over zat te halen 
Ik dacht: dat moet jij doen dus om de slager te betalen 
Hij zei altijd: ik heb wel twintig mensen onder mij 
Dat klopte want hij zat eenhoog, boven de smederij 

Maar goed, hij is nu eindelijk dat klerebaantje kwijt 
Het scheelt weer in de centen, maar ook in de vrije tijd 
En o, hij is zo handig: eerst dus die open haard 
Die heeft-ie zelf gemetseld – en toen dat hobbelpaard 
Voor als het kind komt, zei-die steeds, dan zijn we een gezin 
Nou, ik ben drieënvijftig, dus het zit er niet meer in 

'k Heb veertien boekensteunen en een pasgetimmerd bed 
Laatst kwam-ie met twee wieltjes aan voor een autoped 
Toen ik zei dat dat niet hoefde, toen keek-ie zo verrast 
Daarna is-tie begonnen aan z’n vierde pocketkast 
Hij heeft het Koninklijk Paleis van lucifers gebouwd 
Dat staat nu op de tafel, want het kan niet meer versjouwd 

Het ergste is dat hobbelpaard, dat staat daar week na week 
Mijn man merkt niet dat ik er soms een poot of oor afbreek 
Dat gooi ik in de open haard, die brandt dan weer een poos 
We moeten immers zuinig zijn – mijn man is werkeloos

Archief 2024