Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

------

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20222021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 33 - 103. Anne Sexton: Sylvia's dood

zaterdag 20 augustus 2022

voor Sylvia Plath

O Sylvia, Sylvia,
met een dode kist vol stenen en lepels,

met twee kinderen, twee vallende sterren
op drift in het kleine speelkamertje,

met je mond in het laken,
in de hanenbalken, in het zwijgende gebed,

(Sylvia, Sylvia,
waar ging je heen
na je brief
uit Devonshire
waarin je schreef over
aardappels poten en bijen houden?)

wat hield je staande,
hoe ben je erin gaan liggen?

Dief!
hoe ben je erheen geslopen,

alleen geslopen naar de dood
waar ik al zo lang en zo hevig naar verlangde,

de dood die we beiden beweerden meester te zijn,
die we meedroegen op onze magere borst,

de dood waar we niet uitgesproken over raakten
bij ons derde glas martini, extra droog,

de dood die repte over therapeuten en genezing
de dood die praatte als een berekenende bruid,

de dood waarop we dronken,
de drijfveren en dan de stille daad?

(In Boston verplaatsen de stervenden zich per taxi,
ja alweer de dood,
de rit naar huis met ónze jongen.)

O Sylvia, ik herinner me de slaperige tamboer
die een oud liedje op onze ogen trommelde,

die we zo graag wilden laten komen
als een sadist of een boze fee uit New York

om de klus te klaren,
een noodzakelijkheid: een raam in de muur, een ledikant.

en sindsdien wacht hij
onder ons hart, onze provisiekast,

nu zie ik dat we ze oppotten
jaar in jaar uit, oude zelfmoorden

en bij het bericht van je dood,
besef ik dat ik ernaar hunker, als naar zout.

(En ik, ook ik.
En nu, Sylvia,
jij weer
alweer met de dood,
de rit naar huis met ónze jongen.)

Met mijn armen gestrekt naar die plek van steen,
vraag ik me af of je dood niet iets is wat je altijd had,

een moedervlek die uit
een van je gedichten is gevallen?

(O, vriendin,
nu de maan ongunstig staat,
en de koning dood is,
en de koningin ten einde raad
zou de dronkenlap moeten zingen!)

O kleine moeder,
ook jij!
O gekke hertogin!
O blond ding!

1963


Vervolg van gisteren.

Deze vertaling is van Tjadine Stheeman en verscheen in De Gids.

 

Archief 2022