Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20222021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 27 - 64. Anjet Daanje: Emily II

maandag 04 juli 2022

Het is drie dagen geleden
Dat ik ben overleden
Ze droegen me de trap op omhoog
Alsof ik zo mager niets meer woog
Stil zweefde ik boven de treden
Mijn blik hing slap naar beneden
Het was of het huis, niet ik bewoog
Naar mijn kleine kamer, voor eenhoog
Ze legden me op mijn bed neer
En ik wist: voor de laatste keer

Ze wasten mijn bleke lichaam
Met steenkoud water maar zorgzaam
Mijn zonden spoelden uit mij vandaan
De weg die het leven was gegaan
Nog noemden ze mij bij mijn naam
Op mijn vertrouwde bed bij het raam
Ze trokken me een schone jurk aan
Zoals ik ’s ochtends bij het opstaan
Al met veel moeite zelf had gedaan
Niet wetend dat ik ’s middags dood zou gaan

Ze vouwden mijn handen in elkaar
Verstrengeld als een verliefd paar
En legden ze samen in mijn schoot
Ze maakten dat ik mijn ogen sloot
Mijn leven, het was me zo dierbaar
Een dunne lijn aldoor was het maar
Uit het lood en getrokken uit nood
Die mij scheidde wankel van de dood
Ik wist van het eind, niet het wanneer
Van die gevreesde laatste keer

De wolken die langs het raam dreven
De druppels die de ruit beschreven
De wind die met de vogels speelde
De zon die mijn wangen streelde
Ik werd er nog steeds door omgeven
Het niet te stuiten aardse leven
Op mijn bed dronk ik van de weelde
Waarin ik al niet langer deelde
Zo alleen voelde ik me nog nooit
Aan het eind, maar pijnlijk onvoltooid

Om beuren waakten ze bij mij
Trouw en onbereikbaar nabij
Ze huilden, troosten kon ik hen niet
Ik was de reden van hun verdriet
En een voor een praatten ze met mij
Ze wisten al wat ik niet meer zei
Vertelden me wat ik achterliet
Vergeten wilden ze zeker niet
Wat van ons was maar niet meer van mij
En zo angstwekkend voorgoed voorbij

Vanmorgen vroeg werd ik gekist
Precies mijn maat, iepen gevernist
Nadat ze me van mijn bed lichtten
En ze mijn nieuwe kamer dichtten
Trok langs mijn harteloos harde kist
Wat ik al drie dagen had gemist
De staande klok met zijn gewichten
Die hun tijdige werk verrichtten
En nog één keer door de grijze gang
Met zijn galmende voetstappenzang

Een stil afscheid van wie ik was
Het haardkleed waarop ik lag en las
De eettafel waaraan ik schreef
Dat wat mij nu heeft overleefd
De hond die zo graag op mijn schoot lag
Hoewel hij daarvoor veel te groot was
De boeken waarmee ik mij verdreef
Het huis waarin ik altijd kind bleef
Nog één keer door de deur de stoep af
De laatste momenten tot mijn graf

Ik voelde de gure winterkou
Zag al wat mij verlaten zou
Ze droegen  me over het tuinpad
In de geur van dooi en nat blad
De zware wolken, zo vol en grauw
Hun regen die ik mislopen zou
Het muurtje waarop ik dikwijls zat
Met uitzicht en dromen die ik had
O, me nog één keer aan het leven
Op aarde te mogen overgeven

Aan de heide in haar winterkleed
Waar het water zich een weg vreet
Door met varens begroeide dalen
Op de heuvels te kunnen dwalen
Waar de wind loeit, koud en wreed
En stug gras de hellingen bekleedt
De ochtendzon heiig te zien stralen
Nog één keer voor de nacht me komt halen
Hard slaat de kerkdeur achter me dicht
In mijn schemerige laatste licht

Ze zetten me voor het altaar neer
Ik kijk naar hen, straks kan het niet meer
De bank waarin we altijd zaten
Mijn plaats hebben ze leeggelaten
Mijn ziel vertrouwen ze toe aan de Heer
Die van hen, niet de God die ik vereer
En in de troost die zij zich aanpraten
Lijkt het of ik hen nooit zal verlaten
Herboren in hen zonder te leven
Dood, zonder de geest te kunnen geven

Ze laten me zakken in de grond
Die zich altijd onder mij bevond
Om mij heen welt diepe duisternis
Er is niets in mijn gevangenis
Geen wind, geen wolk, geen regen, geen zon
Geen einde of waar het ooit begon
Geen zomer, geen winter, geen gemis
Geen besef van tijd of waar dit is
Ik ken geen eerste, geen laatste keer
Mijn dood duurt een oogwenk ongeveer

2022


Dijende gronden heet de eerste dichtbundel van Anjet Daanje. Je kunt die lezen als bijlage van de tegelijk verschenen roman Het lied van ooievaar en dromedaris. Die roman speelt zich af in Yorkshire in de negentiende eeuw en is geïnspireerd op het leven en werk (met name Wuthering Heights) van Emily Brontë. Omdat Daanje daarin ook poëzie van Brontë wilde verwerken, zocht ze naar goede vertalingen. Die waren nauwelijks voor handen of ongeschikt (want verouderd), waardoor zij zich geroepen voelde zelf te gaan vertalen.






Daarnaast schreef Daanje in die periode (2017-2019) enkele gedichten in de sfeer van Emily en Charlotte Brontë en ook vier óver hen, waarin zij stilstaat bij de dood van Emily, dan pas 30 jaar, en de pijn van het gemis die haar zus (auteur van onder meer
Jane Eyre) dan doormaakt. Bovenstaand gedicht is van die vier gedichten het laatste en meest ontroerende.  


Archief 2022