Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

De illustratie ROT TOCH OP MET JE POËZIE! is van Gummhah
- het is zijn de Volkskrant-cartoon van 4 maart 2022 -
en die is hier met vriendelijke toestemming van
Gertjan van Leeuwen (= Gummbah) afgedrukt.

------


Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20222021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 12 - 36. Anna Achmatova: Inleiding [5-8]

donderdag 24 maart 2022

Vervolg van gisteren.


5.

Zeventien maanden schreeuw ik nou,
Ik roep je terug naar huis.
Ik viel de beul te voet om jou,
Om jou, mijn zoon, mijn kruis.
Voorgoed is alles chaos hier,
Ik kom er maar niet uit
Wie er een mens is, wie een dier,
Hoe straks het vonnis luidt.
Ik zie slechts bloemenpracht en hoor
Een wierookvat, er loopt een spoor
Dat in het niets verdwijnt,
Terwijl een ster, reusachtig groot,
Die dreigt met rampspoed en de dood,
Recht in mijn ogen schijnt.



6.

Vliegensvlug vergaan de weken,
Het begrijpen valt mij zwaar,
Dat de witte nachten [1] daar
In jouw cel naarbinnen keken.
Net zoals ze doen vandaag,
Met hun felle haviksogen,
Sprekend van de dood en ’t hoge
Kruis, mijn zoontje, dat jij draagt.



7.

Het vonnis [2]

Toen is ’t stenen woord op mij gevallen,
Op mijn borst, nog levend indertijd.
’t Maakt niet uit, ik overwin dit alles,
Want ik was er toch op voorbereid.

Ik heb dezer dagen veel om handen:
Zorgen dat ik mijn geheugen wis,
Zorgen dat mijn ziel nu gaat verharden,
Leren dat er weer een leven is.

Anders… ’t Lijkt wel feest, ’t is buiten zomer,
Met dat zoel en zinderend geruis.
Ik voorvoelde al dat dit zou komen,
Deze lichte dag, dit lege huis.



8.

Aan de dood

U komt beslist een keer. Dus waarom dan niet nu?
Ik wacht op u. ’t Wordt mij te machtig.
Ik doofde ’t licht en opende de deur voor u,
Zo simpel en zo raadselachtig.
Neem elke vorm aan die u maar te binnen schiet,
Kom mij met gasgranaten overvallen,
Of met een loden pijp, zoals een aartsbandiet,
Vergiftig me met tyfuswalmen.
Kom als een sprookje, door u zelf bedacht,
Tot walgens toe bekend uit het verleden, – 
Waarin steeds weer een blauwgemutse wacht [3]
En ook een huisbaas, bleek van angst, optreden.
’t Maakt mij niet uit. De Jenisej [4] vervolgt haar dans,
De Poolster werpt haar licht van boven.
In de geliefde ogen zal de blauwe glans
Ten slotte van ontzetting doven.

1939


[1] In de zomer zijn de nachten in Leningrad maar een paar uur donker.
[2] Haar zoon werd in augustus 1939 naar een dwangarbeiderskamp gestuurd.
[3] Verwijzing naar het uniform van de NKVD, de geheime dienst.
[4] Rivier in Siberië waarlangs veel dwangarbeiderskampen lagen.

Wordt vervolgd.
 

Archief 2022