Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20222021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 9 - 22. Jan Beuving: Ik hoop het wel

woensdag 02 maart 2022

[Beluister hier.]

Een straatlantaarn spiegelt in het water.
Het dorp is in stille harmonie.
Het is nacht. Volmaakt verlaten
zijn de haven en de straten;
alleen de kerkklok laat zich horen: half drie.

Maarten hoeft niet eens zijn wekker meer te zetten
want een fractie voor de klokslag van de kerk
wordt hij uit gewoonte wakker.
Dertig jaar is hij al bakker;
slechts op zondag slaapt hij uit – dan zwijgt het werk.

Het licht gaat aan, hij controleert de ovens
die automatisch aangesprongen zijn.
Stiekem bakt hij één saucijs vast, 
haalt de broden uit de rijskast,
vult de blikken en hij zet ze strak in lijn.

Zijn opa bakte bruin, wit en volkoren
en dat was destijds de hele bakkerij.
Nu is er rustiek, meergranen,
tijger, waldkorn, krenten, maan- en
sesamzaad, casino, spelt en glutenvrij
          en er komen ieder jaar weer soorten bij.

Al doen machines nu het zware kneden, 
het ambacht is nog altijd even rijk:
rollen, vlechten, deeg verdelen
en wat nooit, nooit zal vervelen
is de geur van brood die wegzweeft langs de dijk.

Toen ook de supermarkt vers brood ging bakken
had Maarten uitgebreid met meer banket.
Koeken, flappen en tompoezen,
taarten, bollen, slagroomsoezen;
hij moest wel een uurtje eerder uit z’n bed.

Rond de klok van zes komt Emma naar beneden.
Zijn vrouw; zij runt met trots het winkeldeel.
Soms valt, als ze gaat beginnen,
net het eerste zonlicht binnen:
in de stralen dwarrelt opgestoven meel.

Zo reilt en zeilt de bakkerij al jaren:
in het dorp waar onaantastbaar en devoot
oude zuilen hoogtij vieren
en de kerk regeert, bestieren
zij de zuil van ‘geef ons heden daag’lijks brood’.

Op een dag loop ik daar zelf de winkel binnen.
Het zal een jaar of twee geleden zijn geweest.
En ik vraag haar: ik ga trouwen
in een dorp vlakbij, dus zou(d)en
jullie taarten kunnen maken voor het feest?

‘Maar natuurlijk,’ antwoordt Emma, ‘heel erg graag zelfs’,
en ik zoek een schitterende bruidstaart uit
die zou smelten op je lippen 
vol met marsepeinen stippen 
en de namen, dus zij vraagt: ‘Hoe heet de bruid?’

‘Die heet Marko’, zeg ik, en ik zie d’r schrikken:
‘Oh, dat is hier op het dorp soms nog taboe.
Dus of Maarten hem wil maken…
Weet je wat? Zou het ook smaken
als ik alleen maar jullie initialen doe?
          Net zo stijlvol, maar dan hapt-ie sneller toe.’

Nou, Maarten hapte toe: het werd een kunstwerk.
De bruiloft was als op een ansichtkaart:
mooie kleren, oude auto,
lieve mensen, maar één foto
sprong eruit: twee mannen, stralend bij die taart.

Dus ik stuur meteen die foto naar de bakker
en Emma belt me op binnen een uur:
‘Maarten moest wel even wennen,’
zegt ze, ‘maar toch ook bekennen
dat het topreclame is voor zijn glazuur.
          Dus ik hang hem in de winkel aan de muur!’

En toen gebeurde er precies datgene
waarvan je denkt: God, is dat vuur nou nog niet uit?
In het dorp begon het stoken
en het wijzen en het poken
dat al eeuwen een groep mensen buitensluit.

Een heel oud schuldgevoel kwam in mij boven.
Een spook waarvan ik nooit echt ben verlost.
Dus ik ging met Emma praten
en ik zei, toch opgelaten:
‘Nou, ik hoop maar dat het je geen klanten kost.’

En even was het stil,
ze keek me aan 
en na een tel
zei ze: ‘Nou, 
ik hoop het wél.’

En daar stond ik plots met tranen in mijn ogen.
van verdriet én van geluk: het zeer was oud
maar de hoop was nieuw. Ik voelde –  
alsof God het zo bedoelde –  
dat een nieuwe tijd zijn plannen had ontvouwd.
Want die middag bij de bakker
kuste het geloof weer wakker 
dat de haat ons niet voorgoed gevangen houdt.
          Want zeg nou zelf: zo zijn we niet getrouwd.

2021


Jan Beuving won de Annie M.G. Schmidt-prijs voor het beste theaterlied van 2012 (Vinkeveen) en 2018 (Die geur) en is ook de grote kanshebber voor de editie van 2021. Rutger de Bekker – vanwege deze tekst zou je voor één keer De Bakker willen tikken – schreef de muziek en Richard Groenendijk zingt het in zijn theaterprogramma Voor iedereen beter. Prachtig lied.

Jan Beuving baseerde zijn tekst overigens op een ware gebeurtenis in Richard Groenendijks leven. Voor zijn trouwpartij liet hij bij de dorpsbakker op Goeree-Overflakkee – het Zuid-Hollandse eiland waar hij vandaan komt – een taart bakken. Nadien stuurde hij de bakker een foto van het gelukkige paar voor de taart. De bakker plaatste die in zijn etalage, want mooie reclame: de beroemde cabaretier uit Dirksland met zijn taart! Maar in het SGP-dorp was men ontzet dat de bakker blijkbaar zelfs taarten voor een homostel bakt! Toen Groenendijk dat vernam en bezorgd aan de bakkersvouw vroeg of dat de zaak klanten ging kosten, antwoordde zij: ‘Gelukkig wel.’


Archief 2022