Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

------

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20222021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 51 - 252. Annie M.G. Schmidt: Stekelvarkentjes...

donderdag 23 december 2021

[Beluister hier: Francis van Broekhuizen en Femke de Graaf. Uitvoering 2014.]


Stekelvarkentjes wiegelied

Suja suja Prikkeltje, daar buiten schijnt de maan,
je bent een stekelvarkentje, maar trek het je niet aan,
je bent een stekelvarkentje, dat heb je al begrepen.
De leeuwen hebben manen en de tijgers hebben strepen
en onze tante eekhoorn heeft een rooie wollen staart,
maar jij hebt allemaal stekeltjes en dát is zoveel waard.

Slaap, mijn kleine Prikkeltje, dan word je groot en dik,
dan word je net zo'n stekelvarken als je pa en ik.
Het olifantje heeft een slurf, de beren hebben klauwen,
de papegaai heeft veren, van die groene, van die blauwe,
en onze oom giraffe heeft een héle lange nek,
maar jij hebt allemaal stekeltjes en dat is ook niet gek,

Suja suja Prikkeltje, het is al vreselijk laat,
je bent het mooiste stekelvarken, dat er maar bestaat.
De poezen hebben snorren en daar kunnen ze door spinnen,
de koeien hebben horens en de vissen hebben vinnen,
en onze neef, de otter, heeft een bruinfluwelen jas,
maar jij hebt allemaal stekeltjes, die komen nog te pas.

1950 


November 2019 verscheen Ik wou dat ik een vogel was, met Een natuurgedicht voor elke dag van het jaar. De Nederlandse uitgever zag de Engelse uitgave (uit 2018) en besloot Nederlandse gedichten te zoeken bij de 180 illustraties die Frann Preston-Gannon maakte voor het origineel. 






In het voorwoord schrijft mede-samensteller Marlous van Mourik dat Margot Diederix en zij een overzicht willen geven van het Nederlandse dichtlandschap en zijn grote dichters. Daarbij hebben we geen onderscheid willen gemaakt tussen dichters die voornamelijk voor volwassenen of dichters die voornamelijk voor kinderen schrijven. […] Daarnaast moesten de gedichten een sterke link met de natuur bevatten en passen bij de platen van Frann Preston-Gannon. […] Door deze criteria ontbreken er helaas enkele namen die we graag in deze bundel hadden opgenomen.






In 2020 verscheen in Engeland de opvolger, nu met illustraties van Britta Teckentrup en opnieuw gingen de twee samenstellers op zoek naar Nederlandse gedichten die hierbij toepasselijk waren. Een wonderprachtig dier met Een dierengedicht voor elke dag van het jaar is de titel. 
Wederom een prachtige uitgave, maar weer snap ik niet waarom Annie M.G. Schmidt niet tot de dichters behoort. Wel gedichten over de eend, de giraf en de otter, maar niet Schmidts De eendjes, Dikkertje Dap en Drie ouwe ottertjes; wel de spin, de kat en het schaap, maar niet Sebastiaan, De lapjeskat en O, die lammetjes. En het gedicht van Fetze Pijlman over het stekelvarken (zie hieronder) mag er zijn, maar is toch lang zo mooi niet als Stekelvarkentjes wiegelied, het gedicht van vandaag.

Stekelvarken

Een pauw verbaast je met zijn kleuren,
een bunzing verjaagt je door te geuren.
Het stekelvarken laat je schrikken
van al die pennen die zo prikken.

Tenminste als je hem maar eens zag,
want meestal slaapt hij overdag. 


Om Annie Schmidt te eren dan ook nog maar het gedicht over Een heel klein varkentje:

Er was een heel klein varkentje, dat was zo erg precies.
Hij wou geen modder op zijn buik, want modder vond hij vies.
Hij wou niet zo maar wroeten, net als de andere biggen.
Hij wou niet met zijn moeder in de bruine bonen liggen.
Hij wou niet in het vieze stro.
Hij was niet zo.

Dat varkentje z'n leven was gewoon een beetje treurig,
omdat hij veel te netjes was, te proper en te keurig.
Hij wou niet zo maar wroeten, net als alle andere biggen.
En om hem heen was niemand die dat varkentje begreep.
Dat lag misschien aan het milieu,
maar 't was echt sneu! 

Vanmorgen zei dat varkentje: Nu ga ik naar de eendjes,
daar was ik al mijn voetjes en daar was ik al mijn teentjes.
En ook mijn buik een beetje. En mijn staartje doe ik later.
Zo dacht dat kleine varkentje en - ploemp, hij viel in 't water.
En schreeuwen deed die arme big!
Heel akelig!

Zijn moeder en zijn zusjes zijn zo vreselijk geschrokken.
Ze hebben 't kleine varkentje aan zijn staart eruit getrokken.
Hij kreeg een aspirientje en hij kreeg een rubber kruikje.
Hij kreeg een wollen broekje en zes dekens op zijn buikje.
En toen zei moeder varken: Nou is 't uit met je geflodder
en morgen ga je, net als wij, gewoon weer in de modder.
Want eendjes horen in de vliet,
varkentjes niet.

1959 

Archief 2021