Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 42 - 204. Charlotte Van den Broeck: Aan de parkvijver

vrijdag 22 oktober 2021

Vervolg van gisteren.


twee roodwangschildpadden 
wie liet hen bij de parkvijver achter

in de zonplaats
verzamelt het vrouwtje lichaamswarmte
ontvankelijk kromt en spant ze
haar huidoppervlak naar het licht

verderop kruipt een mannetje
met gezwollen keelzak, bulkende
buit van worm en waterplant
hij trekt haar aandacht

uit een huidplooi in haar nek toont zij hem
haar helrode vlek, haar markering, hier
begint de toenadering

zij zet een trage pas in
onder de opwippende schildrand
deint haar cloaca

omstandigheden dicteren de mannetjesblik
want het is mei

en het park rond de vijver dichtbegroeid
de blauwe waterereprijs bloeit, open gaan
de kelklippen voor een kiemende vrucht

zie haar
soortgenoot
Exote

onder de lila bloemblaadjes, strakgespannen
en blauw dooraderd, schalkse schildpadheupen
trillende dauwdruppels op een schutblad

vastberaden en driest
volgt mannetje, nee, struikelen doet hij niet
over de uitlopers van de waternavelwortel

verloren loopt hij in de slepende, gele lijnen
op haar billen haar kuiten, de plagerij
van het opwippende schild onmiskenbaar
een uitnodiging haar te volgen

langs de aronskelk
door de woekering van de kalmoes
tussen de bloeikolven, gelig-groen
en overeind komt hij

dichter en dichterbij

op haar hoede
uit een voorgevoel
omdat je best altijd even
als je voetstappen hoort
kijkt het vrouwtje om

mannetje denkt: ‘ze wil
want ze kijkt’, hij waant zich
in zijn volle recht, ontbloot nu op zijn beurt
in zijn nek een kloppende, helrode vlek

stilstand

hier begint de balts
hier gooit hij zijn nagels uit

traag genoeg
krabt
zijn voorpoot

in het zand, de kraslijnen
trekken in trillingen over haar hals 
– roder, voller, dieper kleurt de vlek 

– schaamte
doet haar wegschieten, bergaf, van
de hellende oever het water in

alsof het daarmee werd beslist
duikt mannetje haar achterna
naar het vijverbed

ietwat belemmerd
door het gewicht van zijn schild

terwijl zij zwemt in een bochtige dans
wendbaar, manoeuvrerend
ontsnappingsgericht

tot hij in een van haar bochten
met de stoot van zijn bek ruw
de achterkant van haar schild treft – auw 

mannetje maakt gebruik van de pijn
om nogmaals zijn voorpoten te strekken
spant zijn jeukende nagels

vederlicht, elektrisch de vleugelslagen
van een libelle, tinteling en zwelling
trekken door haar hele lijf

voor ze week wordt moet ze
de poten of zijn het vinnen of veren
van zich af zien te duwen

maar alweer slaat hij zijn nagels
om haat heen om haar hals nu
hij krauwt en krauwt

zij houdt uit alle macht de streling af
wie niet wil zien
denkt nu misschien aan een omhelzing

terwijl zijn nagels dieper klissen
in haar huid haar oksels onder de schildrand

en zonder het te willen
flakkert er iets in haar op
een giftig genot even maar

laat ze de spanning
in haar achterpoten los

dan beukt zijn schild bruusk
tegen haar billen, probeert mannetje
binnen te dringen

zwart en hartvormig
zwelt zijn onderbuik stulpt
het geslacht uit, de monsterlijke buil 

sleurt zijn onderlijf naar beneden
alsof hij recht komt te staan
op twee benen, zo

beweegt hij zich vlot over haar heen
ook al stribbelt zij tegen

opnieuw en harder bonkt de bult
tegen haar schild omhooggekomen
door de kitteling door de kracht

waarmee mannetje zich tegen haar aan slingert
steeds trefzekerder zwaait
de zwarte zwelslak achterna

in haar laatste verweer krimpt zij
om geen opening te maken om zich in zichzelf
te verbergen, maar, o, mannetje duwt

en beukt en dit keer bijt
het geslacht zich zuigend in haar vast

brandt hoe meer ze tegenwringt
hoe dieper hij zich in haar dwingt, de slak

is een schroef
een dolk, hoe lang

duren de minuten tot je adem opraakt
het duurt tot hij loslaat

2021


Uit datzelfde interview in De Morgen:

We stuiten op een heftig lang gedicht over seks tussen roodwangschildpadden, Aan de parkvijver. Een gedicht over consent?
“Ik gebruik inderdaad de omweg van de dierenwereld om iets te vertellen over wederzijdse toestemming. Ik beken dat ik veel schildpaddenporno heb bekeken. (Lacht.) Parende schildpadden zijn hallucinant. Als je een natuurdocumentaire bekijkt, merk je dat het er in de dierenwereld soms agressief aan toegaat. Maar bij dieren denken we aan instinct. Evengoed kun je daar vragen over toestemming stellen, maar we keuren het goed vanuit biologische argumenten, namelijk de voortplanting.”

Waarom kwam u precies bij die schildpadden uit?
“Roodwangschildpadden zijn eigenlijk bestemd voor een aquarium, maar mensen deponeren ze weleens in een park wanneer ze ze beu zijn. Daardoor duiken ze bij ons in het wild op. Ze hebben een monsterlijk geslacht dat opzwelt uit de onderbuik. Heel bizar voor zo’n onschuldig ogend diertje. Bij de vrouw betekent een kleine rode vlek op de wang dan weer de start van een verleidingsritueel. Ik ben seksueel beschikbaar, dat is het signaal. En dat heeft verregaande gevolgen. Het mannetje ziet dat als een ja, als toestemming. In het gedicht ontaardt het in een achtervolging én een verkrachting. Want ís het een ja?”
“Ik heb dit gedicht geschreven om seksueel geweld aan te kaarten. Vrouwen die moeten opletten dat ze zich niet te veel opdoffen of verkeerde signalen uitsturen én daar de gevolgen van dragen. Of op straat worden nagefloten. Als het mij overkomt – onlangs nog in Brussel – leg ik meestal in een flits, in een eerste reactie, de schuld bij mezelf. Je verstijft, je voelt schaamte. Nog maar sinds enkele jaren ben ik me hier bewust van. Hallucinant hoe automatisch die reactie zit ingebakken. Terwijl de mannen die er zich schuldig aan maken hun gedrag moeten aanpassen.”

Archief 2021