Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 25 - 158. Mischa Andriessen: Omega

zaterdag 26 juni 2021

Zaaiing en oogst en koude en hitte
En zomer en winter en dag en nacht
Was je waar ik jou bezag je wachtte
Bij de laagstam die je plantte direct nadat
Hij zonder omzien ons verlaten had
Mijn diepste angst mij ertoe bracht
Hem niet koortsig achterna te komen
Van mijn woorden dan het boze dolen
Toe te geven en toch weer uit mijn hart
Te spreken dat hij thuis welkom was

Altijd ook toen sprak je mij niet tegen
Je at van de vrucht het vlees en stak
De kern in de kuil die met trillende hand
Verwoed je gegraven had toen dicht stampte
En met je nog nabevende voet markeerde
Steeds zag ik hoe de wind met je speelde
Hoe je in storm je nog net staande hield
Je wangen verweerden eeuwig rood
Bleven in koude hitte zomer winter

Overal in het veld bomen ontsproten
Waar jij nu dag en nacht stond alleen
Geen enkele vrucht werd geoogst
Ik zag je rug meisjesslank als eens
De kracht in je bewegen je bovenbenen
Die jouw weg lang geleden al meteen
De mijne hadden gemaakt en waar ik
Nooit van was weggedwaald buiten
De ene keer die je me nooit vergaf

In wanhoop sprak ik dan maar de zin
Die indertijd in mij was blijven steken
En even zag ik in je lichaam de huiver weer
Bleef ik ondanks je zwijgen spreken
Noemde planten en dieren onze zonen
Die na elkaar waren verdwenen bij naam
En wees je dat de bomen bloesem kregen
Nu vogelnesten tussen de takken staken
Toen draaide jij je plotseling om en zei
Er is niemand meer om ze te dragen

2021


Het openingsgedicht van Het Drogsyndicaat, de vijfde bundel van Mischa Andriessen (1970). Voor zijn debuut kreeg hij de C. Buddingh’-prijs 2009, voor zijn tweede bundel de J.C. Bloem-Poëzieprijs 2012 en voor zijn vierde de Awater Poëzieprijs 2019. Over die prachtige laatste bundel, getiteld Winterlaken, schreef ik uitgebreid (te beginnen hier en de daarop volgende vijf afleveringen). 
NRC-Handelsblad schreef over zijn poëzie: Andriessen weet de taal zo naar zijn hand te zetten dat de tijd oplost in een opflakkerend en schimmig heden. Het gevecht tegen wat voorbijgaat – in de vorm van gedaanteverwisselingen en tijdsprongen – is niet alleen aangrijpend, maar overtuigend en onafwendbaar.

 





Van het achterplat:
Mischa Andriessen vertelt in Het Drogsyndicaat het verhaal van de zondvloed als straf voor een onverantwoordelijke omgang met mens, dier en plant. Zijn focus ligt echter niet bij de hogere macht, maar in plaats daarvan bij de menselijke worsteling tussen weten en doen, tussen zien wat je ziet en wat je wilt zien.
Het Drogsyndicaat is vooral ook het poëtische relaas van een liefde. Wat rest Naäma en Noach nog nu hun opdracht ten einde is en ze hun kinderen veilig aan land hebben gebracht? Nu blijkt dat ze hun gevoel en denken niet zomaar als een oude huid kunnen afleggen? Nu ze zelf oud geworden zijn en soms, tegen beter weten in, in gedachten toch weer afdwalen naar het leven dat achter hen ligt, en ze vaker dan hun lief is uitkomen bij hun begin?


Ook in het gedicht Vloed staat dat motief centraal:

Je gooit de steen over je schouder kijkt niet om
Hoort niet de verwachte plof maar twee voeten
Die in het zand landen als na een geslaagde salto
En kijkt dan toch om ziet de mal van een lichaam
Nu gestanst in de aarde en stil midden in de steen
In iedere droom die volgt daarna houd je je in
Hoort hoe iemand zijn kleren afklopt en begint 
Te lopen in falset een lied zingt dat je bekend is
Ook als de jongen al te ver is je nog in de oren klinkt
Onbeweeglijk blijf je daar staan denkt je almaar weer
Terug naar het ogenblik waarop de steen nog klemvast
In je hand zat alles nog mogelijk was je plots mans genoeg
Bent en loslaat opnieuw de voeten hoort landen in het zand
En het op slag voldoende is te mogen weten dat het bestaat
Dat liefde nooit bezit kan zijn de herinnering aan hoe nabij
Hij is geweest eens je niet verlaat onverwijld je nog altijd staat
Waar je stond haarscherp voor je ziet waarnaar je maar niet kijkt

Archief 2021