Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 22 - 149. Johan Verminnen: Niemand weet

donderdag 03 juni 2021

[Beluister hier.]


Niemand weet 
Niemand voelt
Niemand ziet|
Wat ik met mijn tranen doe
Er gaat geen dag voorbij
Geen enkele dag voor mij
Dat ik niet aan je denken moet
Ik kende jou zo goed

Je zei geen woord teveel
Tenzij je dronken was
Dan ging je woest tekeer
Iets wat ik jou vergaf
Windmolens zijn te sterk
Voor wie in zijn eentje vecht
Hij die de bloemen krijgt 
Heeft niet altijd gelijk

Niemand weet 
Niemand voelt
Niemand ziet
Wat ik met mijn tranen doe
Er gaat geen dag voorbij
Geen enkele dag voor mij
Dat ik niet aan je denken moet
Ik kende jou zo goed

’t Leek een macabere grap
Die niet om te lachen was
Puntiger dan een vers
Snediger dan een mes
Iemand zei doodgewoon
Over de telefoon
Slik nu maar even door
Hoop dat je hebt gedroomd

Niemand weet
Niemand voelt
Niemand ziet
Wat ik met mijn tranen doe
Als iemand er niet meer is
Besef je pas wat leven is
Nu je er niet meer bent
Lijkt het of ik je beter ken

1984


Vervolg van gisteren.

Johan Verminnen in Mooie dagen:
Op 30 maart 1984 werd Bert (= Johans broer, dan 42 jaar oud, FV) dood gevonden in een vijver midden in de velden, bij de caravan van een Brusselaar die daar zijn buitenverblijf had. De rijkswachtofficier die mij om zes uur ’s morgens het nieuws meldde, had me de week voordien gebeld om te zeggen dat Bert vermist was. Hij had de theaterwereld al lang gedegouteerd de rug toegekeerd en werkte als bouwvakker, alsof hij in de voetsporen van zijn vader wilde treden. Op de werf was hij misselijk geworden en de ploegbaas had hem naar de bouwkeet gestuurd om wat te rusten. Toen zijn collega’s Bert om vier uur kwamen ophalen, was hij verdwenen.
Bert is gestorven in anonimiteit. Officiële doodsoorzaak: hersenbloeding. Geen krant die ook maar een klein berichtje aan hem heeft gewijd. Terwijl hij ooit toch tot de avant-garde van het Belgische theater behoorde en een gewaardeerde dichter was. In volle coronacrisis ploften er plots vijf dichtbundels van Bert in mijn bus, een cadeautje van een mij onbekend koppel. Het confronteerde mij weer eens met het grote gemis en met de vraag waarom Bert zijn dromen nooit heeft kunnen waarmaken. Hij liep zich te pletter tegen de massieve structuren van de traditionele theaterwereld en sloot zich op in zichzelf. Bert heeft vaak an de grond gezeten en hij had tuberculose. Hij heeft daarvoor nog in een sanatorium gezeten, net als onze vader. Mentaal was het altijd balanceren op het randje van de depressie, of zelfs agressie. Soms belde hij en vroeg naar mij. ‘Hier gaat het niet zo goed’, zei hij dan. ’Maar alleen tegen ma zeggen, niet tegen pa.’ Waarna mijn moeder me duizend frank toestopte de ik met de tram naar hem bracht, zonder dat mijn vader het wist. Later heb ik hem zelf geregeld iets gegeven.





Toen ik mijn moeder het trieste nieuws moest vertellen, zuchtte ze diep. Ik zag het verdriet in haar opwellen en de tranen over haar wangen stromen. Ze hield van al haar kinderen evenveel, maar voor het leed en het rechtvaardigheidsgevoel van Bert was ze extra gevoelig. Mijn vader kon de dood van zijn zoon niet aanvaarden. Ik hoorde hem vloeken toen we achter de lijkwagen stapten, daarna is hij gebroken en uiteindelijk ten onder gegaan aan een slepende ziekte. Bert, die zo vaak in discussie was gegaan met Jan (= vader, FV), koesterde stilletjes veel bewondering voor de eenvoud van zijn vader. Een goeie werkman zijn en af en toe wat rommelen in de moestuin, meer wilde Bert eigenlijk niet op het einde van zijn leven. 




 

Ik heb toen het lied Niemand weet geschreven en het voor de eerste keer gezongen in een donker zaaltje achter een café in Aalst […]. Later dat jaar heb ik het nummer negentig keer gebracht in mijn eerste theatershow Zanger zonder meer, terwijl zich op de achtergrond een foto van mijn broer ontrolde. Met zijn ruwe baard leek hij wat op Che Guevara en dat was hij voor mij ook, de eeuwige rebel. Zo trachtte ik zijn dood te verwerken. Schrijven heelt en zingen ook. Na die tournee heb ik Niemand weet nooit meer gezongen. Tot in 2020, tijdens een coronaproof optreden in een kerk in een godvergeten dorp. Het liedje dreigde in de vergetelheid te raken, maar die avond heb ik mezelf voorgenomen om het met hart en ziel te blijven zingen, opdat de gedachtenis aan Bert nooit voorbij zou gaan.

Archief 2021