Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 22 - 147. Liesbeth Lagemaat: Vergeefs...

dinsdag 01 juni 2021

Vergeefs. Te laat. 
Ook sporen wissen zich, uiteindelijk

Toch meenden wij, steltvogelvolk, dat we je misschien – 
hebben gehoord, toen, in een struikeling van niks, en jij, Elpis,

veegde domweg wat aarde van je knieën, je had je schoenen
zomaar uitgeschopt net toen wij, de reigers, in een looddraad

langs de sloot – we hebben je constant gevolgd krasten we
tegen elkaar alleen toen. Een seconde van dommeloog. Het was

de veiligste nacht die een reiger zich inbeelden kon: het werd
maar niet donker. Een gluiping van duister floerste maar meer

als een spel: had geen vat op het licht dat uitgestrooid,
een zandpoedermaan, wij, loodlijn van grijze bekken en haveloze

vleugels, de snavels geschaard in een – in het begin van een toon,
stilte wilden we je brengen en de witheid van klanken die alleen

nog bestonden in onze reigerscalpen. Op welk moment was het
dat je de akker af glipte, dat je het koolzaad bezwoer je plek

te bewaren, dat je door armen van lucht werd opgetild – 
zo leek het ons. Je hebt je nooit zo verstopt achter lisdodden,

pijlkruid, nooit zo als vannacht. Dachten we.
Toen het ochtend werd, hebben we de hele slootkant afgesnaveld,

we werden een rij van grauwe soldaten, pikhouwelen staken
de modderen wal aan flarden. De wetering kende zijn loop

niet meer, blubber gutste tussen het rogge. Er kwamen mannen,
leger om leger, hun pootafdrukken in het slijk naast ons tenen-

gestreep. Met bekken vol vlokken kwamen ze op ons toe. 
We hebben een ring gemaakt om die plek in het veld waar je rug

en het zand elkaar raakten die nacht. We werden je afdruk
in gejaagd, toen was er niets meer dan lijnen op lijn in de aarde,

een littekenstelsel, door niemand meer te lezen. We staan
aan de weteringwal voortaan, grauw en gehavend. Niemand

kijkt in ons oog. Geen mens kent de klanken die we als ongeboren
toetsen in onze keel verbergen. Je naam.

2020
 

In juni weten we of mijn vermoeden klopt dat Liesbeth Lagemaat de Grote Poëzieprijs 2021 gaat winnen, schreef ik hier.

Mijn voorspelling kwam uit: Liesbeth Lagemaat is de winnaar van de Grote Poëzieprijs 2021met haar bundel Vissenschild. Ter gelegenheid daarvan hierboven nog een prachtig gedicht uit die bundel – alleen al de intensiteit van de woorden en de zinnen. Dat gedicht leest zich bijna aan het einde, als het verschrikkelijke zich heeft voltrokken; hieronder het juryrapport, waarin ook verwezen wordt naar het slot. Dat kent enige troost.

We hebben als jury uitvoerig beraadslaagd over de shortlist. De vijf genomineerden hebben ieder in hun eigen kenmerkende stijl een ijzersterke dichtbundel afgeleverd, waardoor we tot halverwege ons laatste beraad nog niet zeker wisten welke we zouden bekronen met De Grote Poëzieprijs 2021. Uiteindelijk kozen we, bij overtuigende meerderheid van stemmen, voor een dichtbundel met zo veel kwaliteit dat we er niet omheen konden. Het is een adembenemend werk waarin een zinderend poëtisch spel wordt gespeeld. Met deze poëzie toont de dichter grote ambitie en lef, maar ook het vermogen om een grote belezenheid te koppelen aan de huidige tijdsgeest. De Grote Poëzieprijs 2021 kennen we toe aan een bedwelmende en meeslepende vertelling waar het dichterlijke vakmanschap van afspat: Vissenschild van Liesbeth Lagemaat.

Als je als lezer binnentreedt in de wereld die Lagemaat met haar poëzie heeft geschapen, dan lijkt het alsof je onmiddellijk wordt ingesponnen in een weefsel van schering- en inslagdraden. Een cocon die veilig lijkt, waarin je als Alice in Wonderland kan ronddwalen, van Gorteriaanse taal kunt genieten, maar die ook bol staat van een naderend onheil. In dit epische gedicht komen we Elpis tegen, een meisje dat aan Alice maar ook aan de jonge Mei doet denken: onschuldig, veilig in haar eigen weefsel van dromen en jeugd. Het verhaal van Elpis wordt vastgelegd door de kalligrafist, die de grootst mogelijke moeite heeft om op zijn papier, dat gaat lijken op het koolzaadveld waarop Elpis wandelt, op te schrijven wat er is gebeurd. Als lezer vermoed je iets, voel je iets: de woorden die lijken op de taal die we spreken maar die in voor- en achtervoegsels en klankgebruik afwijkend zijn, verleiden ons eerst, maar langzamerhand weet je dat al die verschuivingen van letters en klanken het verschrikkelijke verhaal ondersteunen dat de kalligrafist ons tegen wil en dank móét vertellen.

Het slot kent enige troost: de kalligrafist deelt mee dat Elpis de weg naar de hemel vindt. Als het water breekt en ze opstijgt, wordt ze beschermd door een maliënkolder van glans dankzij forellen die om haar heen zwemmen en haar beschermen. Ze zijn haar flonkerende vissenschild. Als je de bundel dichtslaat en de cocon verlaat, is het alsof er nog iets van de flonkering vastgeklonken blijft aan de taal die je daarna zal spreken. Wat wil een dichter nog meer? Dat de taal die gedicht is tot een schild wordt.

Archief 2021