Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 22 - 145. K. Schippers: Aan E.

zondag 30 mei 2021

Nu het later
wordt zie ik steeds
scherper hoe mooi
je bent alsof
je nu pas wordt
uitgepakt
en ik je voor
het eerst
onverborgen zie
wie ziet je
als ik er
niet meer ben

2021


Van K. Schippers (pseudoniem van Gerard Stigter, 1936) verscheen een nieuwe roman: Nu je het zegt.







Marjolijn de Cocq interviewde hem voor Het Parool van gisteren. Over de roman gaat het minder dan over de dood, die hem op de hielen zit. Ik citeer het begin van het gesprek, waarmee ook het gedicht van vandaag zich verklaart.

Vorig jaar kroop hij door het oog van de naald. “Het was maart, net voor het hele coronagedoe. Ik kwam terecht op de IC van het OLVG. Longontsteking, A-griep, de familie werd bijeengeroepen, ze dachten dat ik eraan ging. Maar dat is dus goed afgelopen, al ben ik wel erg ziek geweest, het was een zwaar jaar.”
En toen bleek Gerard Stigter in oktober ongeneeslijk ziek – bij een controle omdat hij te weinig ijzer in zijn bloed had, wat kan wijzen op kanker. “Dat was het dan. Met een levensverlengende kuur. Die nu voorbij is en ik ben er nog.”
Het is dat hij er weinig van merkt. Dat is wel een geschenk, anders zou dat nieuwe boek er ook niet zijn gekomen. “Soms denk ik weleens: wat heb ik ermee te maken? Ik heb wel wat anders aan mijn hoofd dan dit. Ja, het houdt me wel bezig, maar niet alleen. Er zit iets in mij dat het altijd wel weer redt, dat misschien geen zin heeft in ziekte. Ik heb of had ook nooit wat.”
Dat laatste is enigszins bezijden de waarheid. Bij een interview zes jaar eerder, ter gelegenheid van het verschijnen zijn kinderboek De bevrijding van het Stedelijk, lag hij geblutst, met een been in het gips, op de bank in de voorkamer van zijn woning in de Nicolaas Maesstraat. Een smak gemaakt van de trap van zijn werkkamer boven.
Het is diezelfde trap die hij nu zo kwiek opgaat dat je zou vergeten dat hij ‘op het punt staat te verdwijnen’, zoals hij schrijft in zijn nieuwe roman Nu je het zegt. “Hij kan het uitbannen,” zegt zijn dochter Diana Stigter. “Als hij het niet had geweten, had hij precies zo geleefd. En zolang de zieke zich gedraagt of hij niet ziek is, is hij dat ook niet voor zijn omgeving.”
Maar dat is hij wel.
Al is het misschien achteraf allemaal wel verzonnen.
‘Ze brengen het niet onder mijn aandacht,’ mailt Stigter daags na het gesprek over zijn familie. ‘Af en toe, met een oogopslag, een gebaar. Maar niemand gaat natuurlijk gewoon door, al lijkt het zo.’ Hij stuurt een gedicht mee, opgedragen aan zijn vrouw Erica. Maar, schrijft hij, evengoed geldt het voor zijn (klein)dochters en kleinzoon.

Dat gedicht is dus bovenstaand gedicht. 

Archief 2021