Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 20212020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 18 - 123. Bert Vissers: Je bent nooit...

maandag 03 mei 2021

Je bent nooit weggeweest


[Luister hier.]

Je bent nooit weggeweest
nooit echt ver weggeweest
nooit verder dan de stilte die ik voel

Als ik een grapje maak
zo’n standaardgrapje maak
zo’n grapje van zo om de zoveel tijd
en dan ineens besef
dat dat jouw grapje is
en dus jouw woorden zijn
je had dat zeker, zeker ook gezegd

Je bent nooit weggeweest
nooit echt ver weggeweest
nooit verder dan die kale, lege stoel 

Als ik ’ns praten wil
van alles bepraten wil
misschien wel horen wil: "het komt
het komt allemaal wel weer goed
’t loopt echt niet zo’n vaart
je bent er toch zelf bij"
dat eindeloos vertrouwen dat je had in mij

Maar als je mij nu ziet
zo van een afstand ziet
denk jij dan niet:
ik ga ’ns, ik ga 'ns even langs
gewoon van man tot man
’ns horen hoe het gaat
’ns weten hoe het is
en wat, wat denk jij ervan

Je bent nooit weggeweest
nooit echt ver weggeweest
nooit verder dan ik aan je denken kan 

Als ik die films zie
die zwart-witfilms zie 
waarbij het lijkt alsof iedereen
iedereen sneller loopt
en ik dan naast je sta
zo heel trots naast je sta
jij zwaaiend in je Simca, ik zwaai je vrolijk na

Maar als je mij nu ziet
zo van een afstand ziet
denk jij dan niet
ik ga ’ns, ik ga ‘ns even langs
gewoon van man tot man
’ns horen hoe het gaat
’ns weten hoe het is
dus wat, wat denk jij ervan

Je bent nooit weggeweest
nooit echt ver weggeweest
nooit verder dan de stilte die ik voel

2006


Bert Vissers (1964) was zo aardig mij zijn bundel De wereld wacht op mij (2019) toe te sturen, met daarin enkele liedteksten, meer verhalen, veel gedichten en een cd. En de cd’s die hij maakte met zijn groep Bender zaten erbij: Voor het te laat is (2012) en Broos (2016). Daarnaast ook nog zijn kinderboek Jantje en het helikoptertje (2012). 






Mooi liedrepertoire. Beeldende teksten op sterke melodieën, aangenaam klein, ingetogen vertolkt met zijn drie muzikanten op gitaar (arrangeur Tom Bak), contrabas (Jos Caspers) en trompet (Rodney Calis). Ze houden van onder anderen Chet Baker, Goran Bregovic, Kyteman, Ramses Shaffy en Bram Vermeulen en dat hoor je terug. Kortom: Bender ister.








Bovenstaand lied intrigeerde me meteen. Het moest wel gaan over een gestorven ouder. En ook voor hemzelf was dit lied van Voor het te laat is klaarblijkelijk erg belangrijk, want de genoemde Simca komt op vier foto’s terug in het cd-boekje. Ik vroeg hem om een toelichting en wederom was hij gul. Ik mag uit zijn uitvoerige antwoord citeren.



De Simca, met Bert Vissers rechts achterin



Bert Vissers:

Je bent nooit weggeweest is een lied over mijn vader, die in 1995 op 69-jarige leeftijd overleed. Ik was toen 30 jaar. Mijn vader was een uitvinder, een man die nadacht over de toekomst. Dat was zijn werk en daarmee was hij dag in dag uit bezig. Vijfenveertig jaar geleden was hij al in de weer met windmolens en het ontwikkelen van duurzame energie. 

Hij kon niet over vroeger praten. Niet over de oorlog, niet over zijn jeugd, niet over zijn veel te vroeg gestorven broer, zijn steun en toeverlaat, met wie hij het familiebedrijf leidde. Niet over de oneerlijke overname van het bedrijf in de beginjaren tachtig tijdens de economische crisis. En ook niet over mijn moeder, die stierf toen ik twaalf was. 

In het lied zing ik over een moment dat hij in zijn Simca (een Frans automerk dat ter ziele is) zat, zwaaiend naar de 8 mm-camera die mijn moeder vasthield. Het was begin jaren zeventig. Het was een zorgeloze tijd, ik groeide op in een fijn gezin, met drie oudere broers en mijn jongere zusje. Mijn vader was mijn grote held. Niemand was zo sterk als hij. Ik was 6, misschien 7 jaar. 

Kort na die vrolijke opnames werd mijn moeder ziek. Ze had kanker. De eerste jaren is ze meerdere keren geopereerd. Dan kreeg ze uitslagen die soms goed waren (dan was het feest) en soms minder goed. In het laatste jaar van haar leven is zij thuis verzorgd en toen dat echt niet meer ging, is zij door een ambulance naar het NEBO-ziekenhuis in Den-Haag gebracht, een in die tijd gespecialiseerd ziekenhuis in kanker, waar ze nog een half jaar heeft gelegen. Ze werd door ambulancebroeders de trap af getild in een brancard. Ze vroeg zich hardop af of ze niet te zwaar was. Eén van de broeders riep: ‘Mevrouwtje, u bent zo licht als een veertje, maakt u zich geen zorgen’. Ik zie de ambulance nog altijd wegrijden. Dat beeld vergeet ik nooit. 

Mijn vader bezocht haar, ondanks de afstand (veertig minuten met de auto) en zijn drukke bestaan als directeur van een bedrijf met twaalfhonderd man personeel (maar inmiddels zonder zijn broer), twee keer per dag. Mijn broers, zus en ik hebben altijd het idee gehad, dat ze weer thuis zou komen, dat het weer goed zou komen. Dat was wat onze vader ons voorhield. Tot de dag waarop ze stierf. [*]

Mijn vader heeft, na haar dood, nooit over mijn moeder kunnen praten. Van mijn tantes (zijn zussen) weten we dat zij zijn grote liefde was en andersom. Anderhalf jaar na de dood van mijn moeder is mijn vader hertrouwd. Met een weduwe die zelf drie kinderen had. Als kind kon ik die verandering niet aan. Alles in huis veranderde. Ik was eind zeventien toen ik het huis uit vluchtte.   

Vaak heb ik geprobeerd om met mijn vader, ook op latere leeftijd, over mijn moeder te praten. Over wie zij was, over hoe hij haar had leren kennen. Hij heeft het niet gekund. Als hij bij mij langskwam in mijn studentenkamer, hield hij zijn jas aan. Om snel weer weg te kunnen gaan. Tegelijkertijd wilde hij graag weten hoe het met mij ging zonder hierop door te vragen. Als ik iets over mijzelf probeerde te vertellen, pareerde hij dit moeiteloos met: “Het komt allemaal wel weer goed. Dat weet je toch. Je bent er zelf bij.” Geruststellend en lief, maar ook weinig bevredigend.   

Mijn vader had standaardgrapjes, waar hij zelf het hardst om moest lachen. Deze standaardgrapjes komen in gesprekken over hem nog vaak voorbij. Bij het ouder worden bemerkte ik tot mijn schrik dat ik ook steeds vaker standaard grapjes ging maken. 
In de jaren voor zijn dood speelde ik als twintiger in theatergroepen en maakte muziek. Hij vond dat prima, maar had er niets mee. Die wereld stond ver van hem af. De dingen die voor hem – maar ook voor mij – belangrijk waren, hebben we niet met elkaar kunnen delen. 

In het lied beschrijf ik dat hij nooit is weggeweest, nooit verder dan de stilte die ik voel. Ik hield van hem, hij hield onvoorwaardelijk van mij. Dat blijft. Net als de gesprekken die we nooit met elkaar hebben gevoerd. Het onuitgesprokene. Van man tot man. Ook die zijn gebleven. Al had ik dat graag anders gezien. 

[*]
Over die dag waarop zijn moeder stierf, gaat het verhaal De dag die nooit voorbij zou gaan, eveneens te vinden in de bundel De wereld wacht op mij. 


Wordt vervolgd.
Website: www.bendermuziek.nl 

Archief 2021