Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 20212020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 13 - 92. Maud Vanhauwaert: Herfst

vrijdag 02 april 2021

En toch, de kosmos kreeg weer gelijk, alles dijt uit
de woorden hol, de echo’s vals
in de gordijnen bolde de wereld nog
maar ons huis zeilde niet meer weg
we klampten ons vast, niet meer zozeer aan elkaar
maar aan de jaren die we deelden
we vielen in elkaars armen uiteen
vermoeide boksers na een lange strijd
legden ons bij elkaar neer
met meer angsten dan zorgen om ze te dekken
trokken ons alleen soms nog aan elkaar op
dreven als schotsen uiteen
het klimaat viel niet te redden

2018


Er zijn nog twee andere poëzieprijzen die deze maand de aandacht trekken: de J.C. Bloem-poëzieprijs en de Jan Campert-prijs
De jaarlijkse Jan Campertprijs is (tegenwoordig) bestemd voor een bundel die het voorafgaande jaar is verschenen; de tweejaarlijkse J.C. Bloem-poëzieprijs is voor de tweede bundel van een dichter om daarmee de continuïteit van dat talent te stimuleren. 

Rare toelichting op de naamgever van de prijs door de Stichting Mr. J.C. Bloem-Poëzieprijs zelf overigens, die schrijft:
Het blijft een eigenaardige prijs, genoemd naar een eigenaardige dichter die zijn laatste jaren sleet in het Overijsselse Kalenberg, vlak bij Steenwijk. Het graf van Bloem in het naburige Paasloo wordt nog net zo druk bezocht als een pelgrimsbestemming en zijn gedichten worden nog steeds veel gelezen. Niet omdat Jacques Bloem zo ‘domweg gelukkig’ was. Zijn gedichten getuigen van een gloedvolle somberte waarbij tijdens zijn leven alleen een fles puike jenever wat verlichting kon brengen. (Lees hier verder.)







De Jan Campert-prijs is gewonnen door Maud Vanhauwaert voor Het Stad in mij. Zij was ook genomineerd voor de Grote Poëzieprijs, maar drong niet door tot de shortlist (lees hier). De jury van de Jan Campert-prijs:

Eerst pel je er de zongele kaft af. En dan start hij: de papieren rit door het labyrintenhoofd van Maud Vanhauwaert [...]. Eerst leek het nochtans frivoliteit, al die kleurtjes en lettertypes, maar de oppervlakkigheid is schijn. Het boek Het stad in mij is het wonderlijke relaas van twee jaar stadsdichterschap in Antwerpen. Veel losse flarden – gedichten, performances, installaties, zelfs een spelbord – maar samen een schitterend vormgegeven verhaal van tot op het bot benutte poëtische vrijheid. 
Ze schrijft de lezer aan, trekt je mee haar universum in, lijkt naast je te zitten om te bladeren en te vertellen. Zo is dit lijvige boek een zeldzaam levendige herinnering aan de twee jaren waarin ze haar dichterschap een nieuwe dimensie gaf. Een dichterschap dat zelfs op papier doordrongen is van een literaire en bovenal menselijke generositeit. Dit is een feest. (Lees hier verder.)






Ik koos vandaag niet voor een gedicht uit Het stad in mij, waarover ik (hier en hier) al schreef, maar uit Ik ben weer velen, een poëtisch prentenboek dat zij samen maakte met illustrator Sabien Clement. Van het achterplat:

Het boek is geschreven vanuit een ‘ik’ die terugkijkt op een verloren liefde en omhelst de vier seizoenen in een relatie. Soms ben je één met twee, soms ben je alleen met twee, soms val je uiteen alleen. En ja, soms ben je weer velen. Dit is een boek waarin je kunt dwalen, jezelf kunt verliezen en, tussen de lijnen en regels door, misschien ook weer kunt vinden.

Dat laatste is zeker het geval, want het boek begint met de zomer en eindigt, na bovenstaande herfst en de winter (ik viel alleen), met de lente (ik sloeg mijn armen om me heen, hield zo mezelf bijeen).


Wordt vervolgd.

Archief 2021