Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 20212020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 12 - 84. Yerna Van den Driessche: Mijn...

donderdag 25 maart 2021

Mijn tussenmoeder is een wachthokje

om 0:00 lig ik aan de borst van mijn moeder
haar gezicht een gesloten raam
haar borsten zacht en vol

ik heb een moedervlek onder de rechtertepel
nauwelijks zichtbaar koffie met melk
mijn haren hebben de kleur van dode bladeren

haar adem jaagt dringt door elke porie
geen zweem van tederheid
wel zorgende handen als voor een kamerplant
en een vloed aan melk

om 4:05 valt de deur in het slot
ik hang in een buikzak hart tegen hart
ontwortel op het ritme van haar pas
lange rijn bomen die op speren lijken

om 4:45 word ik achtergelaten op een verlaten spoor
samen met een rood autootje waarvan het vierde wiel ontbreekt
twee flesjes afgekolfde melk en een brief

een vroege reiziger slaat alarm

ik haal het ochtendnieuws.

2020


Yerna Van den Driessche (Zottegem, 1949) debuteerde pas op zestigjarige leeftijd en publiceert nu haar vierde bundel, getiteld Op twee benen lopen is moeilijk. Ik was onbekend met haar werk – afdelingen met anekdotische gedichten rond steeds andere kwetsbare personages en opgebouwd met treffende beelden –, maar vind het heel bijzonder. Neem nou bovenstaand gedicht, waarin de afstand al is ingetreden (haar gezicht een gesloten raam), het kind daardoor in zichzelf keert (ik heb een moedervlek […] / mijn haren…), het gevaar binnensluipt (haar adem jaagt) en dan toeslaat (ik […] ontwortel op het ritme van haar pas). 






ik word achtergelaten […] samen met […] een brief. Wat daarin stond, leert het gedicht dat op het bovenstaande volgt.

Brief

zoek mij niet jongen
in mijn winter is er geen ruimte voor een kind
en kinderen verdienen zomer

donkere uren hebben wij afgelegd
tussen lijkvlekken en modder
langs bossen met sprekende takken
langs randen van sneeuw en regen

ik was jouw schild
meer niet
jouw moedertaal wordt niet die van mij


En pas dan is me de samenhang duidelijk met het gedicht waarmee dit drieluik opent en dat als motto een citaat van de Bosnische dichter Goran Simic meekreeg: God zal handenvol werk hebben na de oorlog, merkte iemand op. We zwegen. Moeder en kind zijn oorlogsslachtoffers en de moeder wenst haar zoon Andjela – wat betekent Kind van God – zijn zomer toe en niet haar winter. Daarom legt zij hem te vondeling. Jouw moedertaal wordt niet die van mij. Er had ook kunnen staan: mijn moedertaal wordt niet die van jou. Maar dat is niet hetzelfde. 

Andjela

in het huis zonder gezicht lijken de muren broos
in mijn pijnschoot het kind van vele daders

dat zij ons allemaal als beesten besprongen
in het eerste scheuren de rauwe kreet van levend villen

dat ik nog leef verwijt ik de wachter bij de ingetrapte deur
met aangeschoten stem en wegkijkogen geweer in de aanslag

maanden later schrob ik nog altijd de gesels van mijn huid
resten geil en DNA uit de groeven

met afschuw zie ik hoe het groeit en ’s avonds sluip ik langs gevels
in duistere portieken met kogelgaten zoek ik de man met het geweer

Archief 2021