Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 20212020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 11 - 79. Daniel Billiet: Leuke school

zaterdag 20 maart 2021

De tweede dag lag mijn lunch
als beleg tussen bladzijde 13 en 14
van mijn nieuwe wiskundeboek.

Toen kreeg ik bezoek van een
kippenpoot in mijn jaszak.

Een dag later wapperde mijn turnpak
aan een hoge tak. Op de wc
kreeg ik een douche mee.

Daarna was mijn voorwiel vermist.
Ook genoot elke klasgenoot
van een stukje van mijn meetlat.

Thuis vroeg ma: ‘Leuke school?’

‘O ja, echte grapjassen, ma.’

2020


Derde en laatste bijdrage, met drie gedichten uit de laatste drie (van negen) hoofdstukken. Het pestgedicht hierboven komt uit de afdeling Denkend aan de school. Daarin schuilt een rare detailfout, want de linkerpagina van een boek is altijd even genummerd en de rechter oneven – ook in de bundel van Billiet. Tussen bladzijde 13 en 14 had dus 12 en 13 of 14 en 15 moeten zijn. 


Illustraties: Paul Verrept




Dit gedicht is afkomstig uit Zo’n mooie wereld:

Aan het loket

staat een zware meneer te zweten
en te hakkelen. ‘Sorry, ik heb mijn schrijfbr…
nee, mijn leesbril niet bij me. Wilt u zo goed
zijn om dat even voor mij in te vullen? Alstublieft?’

Het loket antwoordt: ‘Zoiets mogen wij niet doen.
U bent verplicht om dit in uw eigen handschrift…’
‘Maar mijn handschrift, nee, nee, dat wil je niet
meemaken! Dat zijn onleesbare krabbels!’

Wild kijkt de man in het rond. Mijn mama knikt.
Zijn gezicht plooit open in een warme lach.
Ze neemt hem mee naar een tafeltje. Hij fluistert
nerveus een en ander in haar oor. Mama schrijft.

De zweetmeneer geeft het formulier aan de loketjuf.
‘O, wat hebt u een prachtig handschrift!,’ kirt ze,
‘ik wou dat ik ook zo netjes kon schrijven.’ Mijn mama
schudt het hoofd en antwoordt: ‘Misschien kunt u
het een volgende keer eens proberen.’








Over analfabetisme dus. Tot slot, uit Vriendjes en Liefjes, over de dood van een vriendje.

Op de vlucht voor een landkaartje

Wij fietsten altijd samen.
Jij keek wel uit voor twee:
voor mij en jou. ‘Want jij
moet twee fietsen sturen,’
lachte je, ‘met die fiets op je neus.’

Toen opende een portier
de poort naar de dood voor jou.
Je voorwiel draaide nog rondjes
terwijl jij al de bocht naar het einde
had genomen, je bloed nog
een rood landkaartje tekende
tussen de straatstenen.

Op dat landkaartje in mij
fiets ik stom alle paden af,
maar kan je niet, nooit vinden.

Nu fietsen wij altijd samen
jij en ik, en kijk ik wel uit
voor twee, want het is moeilijk
sturen met jou op mijn schouders.

Archief 2021