Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 11 - 76. J.V. Neylen: Middag

woensdag 17 maart 2021

12.00

Geblutst de tuin nu, rauw
en dreigend als een vuist. Vleugels als bijlen
en wilde bloemen als katten door het gras –
bewolkte beelden in een zilveren wereld.

Alsof ik in een ochtend sta die nog ontwaken moet.
Er staat me geen beeld meer voor ogen,
ik zit aan eigen ellebogen vast. Boven mijn nek
wordt de mist in gipsen vormen gegoten. Maar hier

ligt de hemel als een vuist. Ik tik mijn marionettenvingers
op de ruimte die niet opensplijt. Ze hebben niets

omhanden deze handen – verdwaald
in een dag die speelt voor dood. Zijn zilver

trekt als een helm over mijn hoofd.

-----

13.00 

Totdat de vuist weer opentrekt en tot eenvoud verguld.
Totdat de bladeren die sidderen als vleermuizen

weer rood en geel het blauw in tuimelen – kleine spiegels
waardoor ik wandel, mijn spoor verloren.

Dit is van mij,
dit is mijn rijkdom.

Ik begin honds en los te lopen van mezelf,
ben kolossaal en enkelvoudig

in dit reddeloos geluk. Geloof me, het is een vuist
die heimelijk het leven draagt – 

zijn witte knokkels, ik omvat ze
allemaal. Ik denk dat ik glim

als een weh die gloeit – goud trekt in mijn vel.
Mijn voeten laat ik in de modder achter.

Dit schitteren is al
wat ik wil zijn.

2020 


Dit schreef ik vier maanden geleden in deze rubriek:
J.V. Neylen (Joke Van Neylen, Antwerpen 1989) is nieuw in deze gedichtenrubriek. Ik las eerder gedichten van haar hand in onder meer Het Liegend Konijn en […] Holland Maandblad, maar En niet bij machte is pas haar debuut. Ik ga daar nog over schrijven. Lees hier verder.





Dat erover schrijven is er niet meer van gekomen. En nu is het mosterd na de maaltijd, want met dat debuut heeft zij inmiddels de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2021 [*] binnengesleept. Laat ik daarom de jury maar citeren. Die bestond dit jaar voor Vlaanderen uit hoogleraar Moderne letterkunde Yves T’Sjoen en dichter Lies Van Gasse en voor Nederland uit dichter Hanneke van Eijken (winnaar van deze prijs in 2015 - lees hier en hier), schrijver-columnist Pia de Jong en schrijver Kester Freriks, die haar voorzat. 

De bundel is een rijk debuut. De juryleden zijn met name getroffen door rake zinnen, zoals ‘ik schudde de takken uit mijn hoofd, nam een blad en sneed de dag opnieuw aan stukken – hoe grandioos ik hem beginnen zou’ en ‘de mist die in mijn keel is gezakt’. En niet bij machte is beslist anders dan alle andere ingestuurde bundels en biedt een heel ander geluid dan wat je meestal in de hedendaagse poëzieproductie leest. De tekst is ook gedurfd: in een soort bewuste ouderwetsheid bouwt de dichter een poëtische wereld op, met opvallende aandacht voor de taal zelf. J.V.Neylen heeft in haar debuut al meteen een patent op een eigenzinnig beeldarsenaal.
En niet bij machte bevat gedichten, in een hechte compositie gepresenteerd, over keuzes die we allemaal maken: wanneer ik naar mijn werk ga, verlaat ik dan mijn dag? Ja, dat moet het zijn. En dat is ook vertwijfeling. Want als je je dag verlaat, ben je weer een dag uit je leven kwijt. Die bijna melancholieke ondertoon schuilt in veel van de gedichten. De titel van de bundel kan als programmatisch worden gelezen: de ik-figuur is niet bij machte contact te krijgen met de buitenwereld, zoals in het gedicht ‘12.00’: ‘Ik tik mijn marionettenvingers / op de ruimte die niet opensplijt. Ze hebben niets // omhanden deze handen – verdwaald / in een dag die speelt voor dood. Zijn zilver // trekt als een helm over mijn hoofd’. 
Het is vooral de combinatie van het zilver van de dag en de helm over ‘mijn hoofd’ die hier opvalt. In de beeldentaal is zilver als metaal van schitter en glans op beklemmende wijze verbonden met de dood, met een helm. Dat laatste beeld kan duiden op gevangenschap en machteloosheid om een uitweg te vinden. Maar het is tezelfdertijd een wapen tegen diezelfde dood en wie weet de buitenwereld.
Op meesterlijke wijze, zeker voor een debuut, worden dergelijke ambivalenties gethematiseerd. Zonder boodschapperig en vertellend te schrijven, doet de dichter een beroep op de verbeeldingskracht en de creativiteit van haar lezer. Dat zij die ruimte creëert voor de lezer, die ontvankelijk is voor de beeldspraak en de idiomatische zegging van de gedichten, draagt er aanzienlijk toe bij dat hij of zij zich van meet af aan betrokken voelt, dat de poëzie in En niet bij machte niemand onberoerd kan laten. De jury is onder de indruk van zoveel branie en métier, en draagt om die reden eensgezind de bundel voor als laureaat van de Van der Hoogtprijs 2021.

[*]
Deze in 1925 ingestelde prijs is in de taal van het reglement een ‘prijs van aanmoediging’, tegenwoordig ook wel ‘stimuleringsprijs’ genoemd. Hij wordt ieder jaar uitgereikt, afwisselend in de categorieën poëzie en proza, aan een schrijver van wie in de voorgaande jaren haar/zijn eerste of eerste twee publicaties zijn verschenen. De prijs bestaat uit een ‘object’ en 7.500 euro.

Archief 2021