Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 20212020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 7 - 51. Frank Koenegracht: Laat je zoon studeren

zaterdag 20 februari 2021

 

Ik ontmoette iemand die mij denken leerde
Een ander wees waar de jenever stond

Zo dronk ik diep en in gedachten
Later viel ik op de grond

en droomde dat ik heel goed schaakte,
maar tegelijk door blaren liep.

Degene die mij wakker maakte
wilde beslist niet dat ik sliep.

1976


Om nog maar eens te wijzen op de stompzinnige uitspraak van Belinda Meuldijk dat je in het Nederlands geen liedteksten kunt schrijven (lees hier), ook vandaag een citaat uit het interview van Janita Motta met Ingmar Heytze. Die dankt, zo vertelt hij, zijn kracht zelfs aan die liedauteurs:

Jouw poëzie wordt geprezen om de ‘souplesse’, het gevoel voor absurdisme en de originele beelden. Bij wie keek je de kunst af?
“Eigenlijk heb ik maar één truc, en dat is ritme, daaruit komt alles voort. Die truc keek ik af van cabaretiers. Mijn moeder had anderhalve meter platen van Cabaret Don Quishocking tot Neerlands Hoop, van Boudewijn de Groot tot Herman van Veen en Frans Halsema. Als jongetje zat ik uren met mijn koptelefoon op te luisteren. Ik raakte doorkneed met ritme en timing."
“Die artiesten schreven niet al hun liedjes allemaal zelf, en zo werd die vinylcollectie meteen een audiobloemlezing van tekstdichters als Willem Wilmink, Hans Dorrestijn, Lennaert Nijgh, Rob Chrispijn."
“En daarna kwam al snel de poëzie. Bloem, Slauerhoff, Nijhoff, Alain Teister. En Frank Koenegracht. Die beschouw ik als mijn literaire vader. Die vreemde, sfeervolle en ook wel donkere beeldentaal, zijn rare metaforen, de humor. Dat zou ik ook willen kunnen."
“Je kunt Koenegracht overigens prima aan kinderen voorlezen, wist je dat? Ik las Laat je zoon studeren met mijn dochters van vier en zeven: ‘Ik ontmoette iemand die mij denken leerde.' Kinderen en poëzie gaan sowieso goed samen, het zijn de volwassenen die meestal de drempels opwerpen.”

Archief 2021