Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 20212020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 7 - 45. Liesbeth Lagemaat: Maar in welke... [2-4/4]

zondag 14 februari 2021

Het tweede en derde deel en het slotstuk van een vierluik. Vervolg van gisteren.


Maar in welke vorm wil ze gegoten 

Of het zou zich zo laten aanzien:
zoals iemand met een spitse vingernagelstift lijnen trekt

op zacht papier; stel je voor dat het papier kan ervaren,
dat het kan voelen, zoals huid, en dat het eventueel kan

weten of voorspellen wat de lijnen zijn die de pen in het wit
zal griffen. Zal het papier dan met blanke nog onzichtbare

letters, woorden vormen en zinnen, zal het tonen wat
de kalligrafist gaat schrijven. Wat hij denkt, voordat hij

schrijft. Is het papier, dat zo zacht is dat het de fijnste trilling
van een idee al in zich opzuigt alvorens de pen het oppervlak

raakt – is het papier nog beter op de hoogte van wat zich roert
in hersenen, hart, van de kalligrafist? Moedigt het hem aan?

De hand met de stift luistert, volgt. In die donzige witte
vlakte onder hem ligt het begraven. Of opgeslagen. Of het ligt er

eenvoudig te liggen totdat vingers een pen sturen, de richting op
zenden van wat straks niet meer is: een geheim.




Of dit:

Een zwerm reigers, nauwelijks te onderscheiden van hun decor,

het grijze vergezicht van wei en lucht. Wie ze van bovenaf
zou zien, had een patroon ontdekt in hun samenzwering van

dekplaten en vlerkachtige vleugels. Als het maliënkolder
van een vis schettert dat vogeleiland. - Blijf een tijdje ijlhangen

op deze hoogte, kijk met eerstedagsogen, toen pupil en iris
nog maar pas bestonden: ingebed in grijze schelfers rolt

een figuur zich op haar zij is het een dolfijn een buitelaar maar
nee niet hier, de weilanden aan de rand van de stad, is het

een jong ezeltje dan dat zich de zon uit de ogen wrijft maar nee
de figuur ligt stil nu, veel te stil is het een mens iemand die

zich opvouwde in die zwerm van grafiet, korrel voor korrel
een schutkleur, punt in de ruimte bestempeld als vluchtplaats,

is het een kind nog en slaapt het of is het ontspoord uit
een droom die niemand wil horen, een gedachte die op uit-

wissen staat, wie alles van bovenaf zou zien, zou reigerveren
in zijn oren willen stoppen, zich de mond weg doezelen, zou

wensen dat alles bleef zoals nu: onbegrijpelijk en ver: een geheim.




Maar in het koolzaadveld net buiten de stad heeft zich al
een ritme uitgezet, sediment van wind en zand,

een tekenleer die waanzinnig wijst, een richting aanblaast,
vore na vore hoe miniem ook legt zich neer op de akker.

Hiëroglyfische voelsprieten van insecten steken ver uit hun
zwarte kabots. Pootjes bedruppelen het veld met werkijver,

maar de ondertiteling? Alles wat wind zand en pootjes
de grond in stempelen, beklijft. Voor wie de braille

van de akker lezen kan, is het een feit: niks ligt hier zomaar
te versterven in groei, geen korrel koolzaad duidt op niets.

Misschien komt ze straks. Langs de moddergreppel zal ze komen
aanlopen, elke dag zijn haar passen gelijk aan die van de eerdere

dag, de eendere. Er is geen maan die haar drijft naar deze plek,
al zou dat best kunnen, geen ster die in haar oorlel prikte

tot ze wist: daar moet ik zijn. De koolzaadwei ademt misschien
iets sneller wanneer zij - haar voeten waarmerken de aarde.

Struikelen. Zolen verliezen hun grip op het pad.

2020

Archief 2021