Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 20212020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 2 - 14. Nachoem M. Wijnberg: Aan de...

donderdag 14 januari 2021

Aan de telefoon met Judith Herzberg

Leonard Ornstein had mij haar telefoonnummer gemaild 
en dat zij van mij wilde horen 
en iets over mijn vader kon vertellen 
- Leonard is de zoon van Jet Edelsheim, nu al bijna tien jaar dood, 
de beste vriendin van mijn moeder. Toen ik mijn moeder vertelde 
dat Leonard mij dit gevraagd had 
zei zij dat zij Judith enkel van ver weg gezien had 
in de foyer van de stadsschouwburg
waar zij met Jet was, die naar Judith toeliep om dag te zeggen 
en Judith was kortaf, deed alsof zij haar nauwelijks kende,
terwijl zij samen op school gezeten hadden.

Judith zegt dat zij een foto heeft, 
al weet zij nu niet waar zij die kan vinden,
waarop zij met mijn vader staat 
toen ze meteen na de oorlog in een Hebreeuwsklasje zaten,
zeven meisjes en mijn vader, en de leraar was een soldaat 
in de Joodse Brigade. Ze hadden de foto laten nemen 
om dank je te zeggen en Judith die op de voorste rij zat
hield in haar hand een klein schoolbordje waarop met krijt in het Hebreeuws 
geschreven was: toda rabah, dat betekent veel dank, 
en de naam van de leraar.

Ik zeg dat ik de foto ken, 
ik heb zelf een kopie bij haar in de brievenbus gelegd
na de vorige en enige keer dat wij elkaar gesproken hadden, 
meer dan twintig jaar geleden, 
toen wij twee van de drie juryleden van de Herman Gorterprijs waren 
die drie helemaal-niet-overlappende shortlists hadden
en als Judith en Maarten Doorman het over iemand eens werden
gaf ik nog steeds niet toe
en ten slotte gaven we de prijs op haar voorstel 
aan iemand die ernstig ziek was en nooit een grote prijs gehad had 
- zij herinnert het zich niet zo en ik zeg dat ik het toen en nu nog steeds 
een geweldig voorstel vond, kol hakavod
dat betekent alle eer.

Op een dag lees ik een gedicht van haar
en ben verbaasd hoe goed het is,
als ik onbeleefd wil zijn kan ik nog steeds zeggen 
dat het een van haar beste is
en dat het niet veel is,
maar het is helder 
en zegt iets wat belangrijk genoeg is om langer over te willen spreken.

Ik kijk naar de foto en denk dat mijn vader er ouder uitziet 
dan de achttien jaar die hij toen was 
- en groter, hij steekt met kop en schouders boven hen uit, 
of waren al die meisjes klein? - 
en hoe verhoudt zich dat met zijn verhaal 
dat meteen na de oorlog de Joodse Brigade een diner georganiseerd had
voor jongens die ondergedoken geweest waren 
om die zich beter, sterker te laten voelen,
en dat diner werd gekookt door Duitse krijgsgevangenen 
(die door de Joodse Brigade bewaakt werden). Hij stond op van tafel 
en vroeg een krijgsgevangene in de keuken om een glas water
en een soldaat van de Joodse Brigade stond daar 
en zei: Joden drinken geen water, 
- omdat hij iets wilde zeggen als dat Joden wijn drinken of whisky -
en toen keek hij nog eens goed naar mijn vader
die daar te jong of fragiel voor uitzag 
en zei: Joden drinken thee!

2020


Nachoem M. Wijnberg (1961) - hij kwam al vaak voorbij in deze rubriek; Judith Herzberg nog veelvuldiger - studeerde Rechten en Economie. Hij promoveerde aan de Erasmus Universiteit en heeft een leerstoel aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is schrijver van vijf romans en twintig dichtbundels. Voor zijn poëtisch oeuvre kreeg hij twee jaar geleden de P.C. Hooftprijs toegekend. Onlangs verscheen zijn nieuwste bundel, getiteld Joodse gedichten. En ja, hij is joods.







Van het achterplat:
Hoe bewegen Joden zich door de geschiedenis, hoe denken ze over zichzelf, en hoe denken anderen over Joden? Daarover gaat Joodse gedichten, en over de Messias, op wie met hevig verlangen gewacht wordt en die tegelijk een bron van ongerustheid is. Misschien vanwege de problemen die valse Messiassen – van Jezus tot Sabbatai Tsvi – met zich meebrengen, misschien omdat de geschiedenis te mooi of te spannend is om die nu al te beëindigen. Mozes en Abraham, rabbi Akiva en Maimonides, Levinas en Leibowitz, Tucholsky en Amichai lopen samen met de dichter en leden van zijn werkelijke en mythologische familie in dit boek door elkaar heen, en over de wegen waarover de Messias zou kunnen aankomen of verdergaan.

Uit een recent interview, waarin ook bovenstaand gedicht ter sprake komt:
Mijn vader komt best vaak voor in deze bundel. Hij is meer dan 25 jaar geleden overleden. Mijn moeder komt er ook in voor, maar wat minder expliciet. Mijn moeder leest dit interview én de bundel, dus daarom voel ik mij misschien iets minder vrij om over mijn moeder te schrijven. Maar als ik nadenk over wat Joden betekenen, dan denk ik eerst aan mijn vader, omdat dat juist voor hem een belangrijke vraag was waarover hij veel nadacht en sprak, en daarom kan ook veel van wat ik denk of schrijf over Joden als onderdeel van een doorgaande dialoog met hem beschouwd worden. En wat ik in dit gedicht schrijf over mijn vader, heb ik van hem gehoord. Duitse soldaten in Nederland werden nog een tijd lang krijgsgevangen gehouden en zij werden bewaakt door soldaten van de Joodse Brigade die dat diner organiseerden. In deze anekdote hoor ik ook de toon van zijn stem.
Mijn vader vertelde overigens ook dat hij meteen na de oorlog op een school terechtkwam (de Gemeentelijke Inhaalcursus voor Ondergedoken Leerlingen), waar de grap ging dat het niet moeilijk was om een examen geschiedenis te halen omdat bij ieder jaartal het juiste antwoord was: Joods bloed werd vergoten. Of het nu 1066, 1463, of 1943 was. Van de kruistochten tot het begin van de Weimarrepubliek, het juiste antwoord was altijd: Joods bloed werd vergoten.

Archief 2021