Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 20212020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 2 - 13. Herman de Coninck: Je truitjes

woensdag 13 januari 2021

Je truitjes en je witte en rode
sjaals en je kousen en je slipjes
(met liefde gemaakt, zei de reclame)
en je brassières (er steekt poëzie in
die dingen, vooral als jij ze draagt) –
ze slingeren rond in dit gedicht
als op je kamer.

Kom er maar in, lezer, maak het je
gemakkelijk, struikel niet over de
zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen,
gaat u zitten.

(Intussen zoenen wij even in deze
zin tussen haakjes, zo ziet de lezer
ons niet.) Hoe vindt u het,
dit is een raam om naar de werkelijkheid
te kijken, alles wat u daar ziet
bestaat. Is het niet helemaal
als in een gedicht?

1969


Ik citeer de auteurs van Zelf gedichten lezen:
…De eerste regel doet het hersendeel waar mijn literaire geheugen zit opvlammen als een malle. ‘Je truitjes en je witte en rode’ is een literaire echo van jewelste. Meteen komt een van de mooiste (want simpelste) liefdesgedichten uit de Nederlandse literatuur naar boven:

Zie je ik hou van je,
ik vin je zo lief en zo licht -
je ogen zijn zo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je ogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zo vrees'lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen -
Maar ik kan het toch niet zeggen.


Herman de Coninck speelt een intertekstueel spel met die andere Herman, namelijk Herman Gorter. Het intertekstuele spel gaat verder dan het gebruik van ‘je’, want ook het enjambement is er een onderdeel van. ‘Rode / sjaals’ is het enjambement tussen regel 1 en 2, en dit lijkt sprekend op ‘je hals waar / je kraagje zit’, in ieder geval door het klinkerrijm (sjaals, waar, kraagje), maar zeker door het enjambement zelf. Want waar zit je kraag en waar zit je sjaal? Om je nek. Het dunne gedeelte tussen hoofd en romp, hoofd en romp zijn gescheiden door de nek, zoals een zin in een gedicht in twee stukken gedeeld kan worden door een enjambement. 
Een andere overeenkomst tussen de twee gedichten van de twee Hermannen is de aanspreekvorm. De geliefde wordt in beide gedichten aangesproken met ‘je’. Maar wat gebeurt er in de tweede strofe? Daar verandert de ‘je’. De aangesproken persoon is niet meer de geliefde, het is de lezer. Dit wordt al aangekondigd in de eerste strofe, want daarin staat het woord ‘gedicht’. De lezer wordt uitgenodigd het gedicht binnen te komen en te gaan zitten. Hoe kan dat nou weer? Hoe moet je gaan zitten in een gedicht? Dat kan inderdaad niet letterlijk, maar zou het kunnen duiden op een aansporing om het gedicht goed te lezen? Dat je er helemaal in zit, zoals je ook op kunt gaan in een film?
Als je het gedicht binnenstapt, dan moet je niet struikelen over de uitgeschopte schoenen en de zinsbouw. Dat is grappig gevonden, maar het zegt ook iets meer over wat een gedicht is. Zoals een slordig persoon zijn schoenen overal rond laat slingeren, zo kan in een gedicht de zinsbouw op zijn kop worden gezet. Vervaagt hiermee het verschil tussen de echte wereld en de poëtische wereld? In de eerste strofe staan de woorden ‘poëzie’ en ‘gedicht’, terwijl er en echte wereld wordt beschreven, een wereld van sjaals, kousen, slipjes en brassières (bh’s). Dat zijn dingen die echt bestaan, maar bestaan ze ook echt in dit gedicht? Of blijven het hier slechts woorden? Terug naar het gedicht van Herman Gorter, waarin de ik-figuur zoveel houdt van iemand dat hij het niet kan zeggen. Hij kan zijn heftige gevoelens niet onder woorden brengen, zijn liefde is zo groot dat er geen taal voor is. Sluit het gedicht van Herman de Coninck hierop aan? Vindt hij zijn geliefde zo sexy dat hij niet verder komt dan te zeggen dat haar sexy kledingstukken als poëzie zijn?
De lezer is inmiddels in het gedicht gestapt en wat ziet hij daar? De ik-figuur en zijn geliefde zijn aan het zoenen. Blijkbaar is dit niet heel erg belangrijk, want het staat letterlijk tussen haakjes. Althans, als je het woord ‘letterlijk’ letterlijk neemt: met letters geschreven. In een tekst kun je letterlijk iets doen (bijvoorbeeld zoenen), in de echte wereld niet. De echte wereld bestaat niet uit letters, het is dus onmogelijk om iets met letters te doen. Gek genoeg zien we het meestal omgekeerd en duiden we gedichten aan als figuurlijk en gebruiken we het woord ‘letterlijk’ voor ‘dat wat echt zo is’. Maar wordt er nu gezoend in dit gedicht of niet? Ja, maar de lezer ziet het niet, omdat het tussen haakjes staat. Maar ik heb toch echt net gelezen dat er wel gezoend is, want ook de woorden die tussen haakjes staan zijn leesbaar. Welk spel speelt de dichter met de lezer? Wat is er echt en wat is er poëzie?


Een lang fragment uit een hoofdstuk uit Zelf gedichten lezen. Een reis over de onbewandelde wegen van de poëzie, geschreven door drie neerlandici. Gerbert Faure (1987) en Bas Jongenelen (1968) zijn docent aan de Fontys Lerarenopleiding in Tilburg; Jan de Jong (1954) was dat, maar is tegenwoordig poëzierecensent.







Van het achterplat:
Gedichten lezen is vragen stellen, vragen waarop misschien wel twee verschillende antwoorden mogelijk zijn. Of vijf. Of niet één. Dat hangt van het gedicht af, maar meer nog van de lezer, die met zijn eigen ervaringen, meningen, stemmingen en nukken een dichtbundel doorbladert.
Zelf gedichten lezen bestaat uit 42 korte hoofdstukken met evenzoveel gedichten. Sommige lijken op het eerste gezicht tamelijk ingewikkeld, andere zijn bedrieglijk helder. Gedichten zijn geen cryptogrammen om te ontcijferen, maar kunstwerken waar je het met elkaar over kunt hebben. Botsende meningen onderstrepen eerder de rijkdom dan de onvolkomenheid van het gedicht.
De vragen bij veel gedichten dwingen niet alleen (met uiterst zachte hand) naar mogelijke, vaak nog onbewandelde paden. Ze kunnen ook dienen om een gesprek over lyrische poëzie te beginnen, zonder te weten waarheen het avontuur van zo’n verbale wandeling de lezers leidt. 
Over een goed gedicht kun je blijven praten, en telkens zal het gesprek weer over iets anders gaan.


Geen boek voor studenten, maar, zoals de auteurs in hun inleiding stellen, voor lezers met eigen ervaringen, meningen, stemmingen en nukken. De uitleg, zoals in het voorbeeld hierboven, houdt het midden tussen schoolmeesterig en begeesterd. Wie zelf begeesterd is, neemt de schoolmeesters graag voor lief als hij, in chronologische volgorde van publicatie, leest over gedichten van Herman Gorter (1890), Guido Gezelle (1901) en J.H. Leopold (1913) tot aan Tjitske Jansen (2015), Rodaan Al Galidi en Hannah van Binsbergen (2016).

Archief 2021