Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Vanaf januari 2021 zal er minder vaak dan wekelijks een bijdrage te lezen zijn; de schrijftijd gaat op aan drie boeken in voorbereiding. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 20212020-1 (A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 1 - 6. K. Schippers: OLVG

woensdag 06 januari 2021

KOOR VAN VERPLEEGKUNDIGEN (mondkapjes, witte kleding)
Wat heeft-ie dan…

DIRIGENT (bij patient)
Hij weet het niet.

KOOR (links)
Hij weet het niet.

KOOR (rechts)
Hij weet het niet.

KOOR (geheel)
Hij weet het niet… (vlug) Hij weet het niet… (vlugger) Hij weet het niet.

De patiënt gaat verliggen. Het kraakt door de muziek heen.

DIRIGENT
Wilt u soms even in een stoel zitten?

PATIËNT (zacht) 
Het gaat wel.

De dirigent buigt zich over de patiënt. Om het bed infusen, tafeltjes met medicijnen. Filmscherm boven het koor.

KOOR
Weet u het al?

De dirigent luistert met stethoscoop naar het hart van de patiënt.

KOOR
Weet u het?

DIRIGENT
Nog niet… (wacht even, luistert door) Nog niet, nog niet…

KOOR
Hij weet het vast… Hij weet het vast…

DIRIGENT (op scherm)
Hij heeft…

KOOR
Ja, wat heeft-ie?


DIRIGENT
Hij heeft…

KOOR (kortaf)
Zeg het nou.

DIRIGENT (tot het koor)
Hij heeft de ziekte van de taal.

2020


Het is geen corona, maar zondag 1 maart moet K. Schippers met spoed met de ambulance naar het OLVG. Diagnose: A-griep met longontsteking: die twee bij elkaar kan het hart nauwelijks nog bijbenen.

In de ambulance naar het ziekenhuis vraagt de chauffeur-verpleegkundige ‘Wat doet u?’
‘Ben dichter.’ Zeg uit m’n hoofd een gedicht van een ander op. ‘Wat zij bedoelen’ van Jan Hanlo. Zo begint het:

Schilders schilderen wanneer zij ’t kunnen
’t engelgezicht van die zij beminnen
Maar ik die niet schilder
wat moet ik beginnen


Op de IC verwijlt hij op de taal:

Wilt u roomboter of margarine?’ vraagt men vlak bij m’n bed. Hoelang margarine niet gehoord, noch uitgesproken. Niet meer geloven in een algemeen realiteitsbesef. 
‘Buiten vliegt een steen’, zeg ik zacht.
‘Met vleugels zeker.’ Ze heeft me verstaan.
‘Ja.’
‘Ja, ja.’ Ze kijkt nog even om, neemt het ernstig op. Vernevelen is een woord dat ik sinds vannacht ken. Waterdamp naar je longen, hoor het steeds weer, vernevelen, in haar teruggetrokken schoonheid.

[…]

Ik verwijl op de taal. Wat rest me. […] Gesprek met een dokter na onderzoek. 
‘Je luchtpijp is te smal.’
‘Hoezo?’
‘Te smal.’
‘En ik leef er al 83 jaar mee.’
‘Je merkt het een beetje te laat.’
Toevalsaanrakingen van een verpleegkundige, een arts, het spaarzame bezoek. Dat je niet alleen bent. Word je beter dan ben je weer eigenaar van je taal. […]
Als ik er nu toch aan ga, heb ik dit niet bedacht. Het leven zelf, cadeau gekregen. Niet bang, of ik boven mijn eigen sterfelijkheid sta, dit na je verdwijning. Haal de kinderen, ze komen al. De taal sterft niet.

Hij knapt op en brengt een tekst tot leven. De bovenstaande. Een gedicht?

Een opera misschien, ja, een opera. Concertgebouw, orkest. De dirigent bij een bed met patiënt, wat hoger omgeven door twintig verpleegkundigen.


Voor toelichting: Lees hier.

Archief 2021