Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2020-1 (A t/m M), 2020-2 (N t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 44 - 173. Ellen Deckwitz: Een documentaire...

dinsdag 03 november 2020

Een documentaire over jappen die zich doodwerken
en mijn grootvader zet het geluid
harder. Knokkels tegen lippen,
te weinig sigaretten
voor dit gesprek.

Buiten lachen allochtonen. Hun vlees spant
en een merel valt over de rand.
Mijn broertje stampt 
zijn naamvallen.

De weggeblazen straat, waar iedereen een tatoeage wil
als bekend wordt dat jeweetwelwie op gave huiden jaagt.
Onder monumenten een doek
over mijn stoppels vertel ik

dat onze voorouders goed waren.
Ze schonken ons een lans als ruggengraat,

een pen om een kussen te maken
van pijn De korst een pleister,

een verband voor onze ogen,
ons om te blijven een huis.

2011


Morgen een gedicht van Ellen Deckwitz (Deventer, 1982) zelf, beloofde ik, maar het duurde iets langer. Bovenstaand gedicht komt uit De steen vreest mij, haar debuut, uit 2011. Zij was 29 jaar en kon zij op het achterplat al melden: Deckwitz leeft van haar schrijverschap. 




Toen was zij dichter; inmiddels is zij ook een warm pleitbezorger van de poëzie via artikelen, cursussen, bloemlezingen, coachings, debatten, festivals, essays, interviews, columns, theaterteksten en nog veel meer. 

Dichter om in de gaten te houden? Nou, wie haar de laatste jaren over het hoofd heeft gezien, heeft wel veel gemist. Poëziestem die het verdient zich in de breedste zin te laten horen.


Tegen het eind trekt grootvader een touw
door de mouwen van mijn jas.
Hij maakt daaraan wanten vast
die ik weiger te dragen.

Ik herinner me en lichtvlak
waaruit een silhouet was geknipt.

Mijn grootvader gelooft in de profeet Elia,
in een man die nooit weggaat.
Die gewoon opgaat.

Tijdens het wandelen
kloppen de wanten
geruststellend op de rug
van mijn vuisten.

Ik geloof 
dat er iemand in mijn jas huist

die mijn steeds blekere
knokkels hoedt.

Archief 2020