Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2020-1 (A t/m M), 2020-2 (N t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 42 - 163. [2/2] Louise Glück: Wijkend licht

maandag 19 oktober 2020

Jullie leken net kleine kinderen,
altijd tuk op een verhaal.
En ik had er al zo veel verteld;
ik had genoeg verzonnen.
Dus gaf ik jullie potlood en papier.
Ik gaf jullie pennen van riet
dat ik zelf sneed, middagenlang in de dampige velden.
Schrijf jullie eigen verhaal maar, zei ik.

Na al die jaren luisteren
zouden jullie wel weten
wat een verhaal was dacht ik.

Zeuren was het enige wat jullie konden.
Alles moest jullie worden uitgelegd,
op eigen kracht doorgrondden jullie niets.

Toen besefte ik dat jullie niet konden denken
met werkelijke lef of passie;
jullie hadden je leven nog niet geleid,
geen eigen rampen doorstaan.
Dus gaf ik jullie levens, gaf ik jullie rampen,
want schrijfgerei alleen bleek niet genoeg.

Jullie zullen nooit weten hoe goed
het me doet jullie daar te zien zitten
als onafhankelijke wezens,
jullie te zien dromen bij het open raam,
potloden die ik jullie gaf in de aanslag
tot de zomerochtend in woorden opgaat.

Het scheppen heeft jullie opgewonden,
ik wist het van tevoren, dat doet het in het begin altijd.
En ik ben vrij om te doen wat ik wil,
me met andere dingen bezig te houden,
in het volste vertrouwen
dat jullie me niet meer nodig hebben.

1992


The wild iris is de titel van de bundel waaruit Erik Menkveld in 2004 twaalf gedichten vertaalde voor literair tijdschrift Raster. Hij voorzag die destijds van een begeleidende brief, waarin hij haar poëzie roemt om haar speelsheid en raffinement. De gedichten zijn ongewijzigd opgenomen in Menkvelds Verzamelde gedichten (2016); de begeleidende brief ontbreekt.
De Amerikaanse dichter-essayist Louise Glück (1943), opgegroeid als kind van Joodse ouders, won vorige week de Nobelprijs voor Literatuur. Ik had nog nooit van haar gehoord, terwijl zij al in 1968 debuteerde en veel van haar essay- en poëziebundels in de loop der jaren zijn bekroond, zowel nationaal als internationaal. Dit jaar nog kreeg zij in Zweden de Tranströmerprijs voor haar oeuvre. Ook blijkt zij een vermaard hoogleraar Poëzie aan de Yale University. Waarom nooit werk van haar in het Nederlands verscheen?




Ik kies als eerbetoon Wijkend licht. Zij wenst de generaties na haar een leven toe zoals dat nu eenmaal geleefd moet worden en zoals ook haarzelf overkwam, dus inclusief eigen rampen, want die zijn nodig om er later iets van te maken. Of zoals zij in een ander gedicht zelfbeschouwend schrijft: Ik ben inmiddels bereid jullie te overweldigen met helderheid.




Glück had een moeilijke jeugd. Louise was enig kind - haar oudere zus was al overleden voor haar geboorte - en haar ouders eisten het uiterste van haar qua schoolresultaten. In haar tienertijd ontwikkelde zij anorexia nervosa, ging daarvoor langdurig in psychoanalyse, maar dat verloste haar niet van haar angsten, zoals voor het aangaan van relaties als kind, als jong volwassene, als vrouw, als moeder, want als er zoveel gevaar op de loer ligt - overduidelijk autobiografisch dus.

De Nobeljury karakteriseerde haar werk als
ongekunsteld en onverzettelijk, humoristisch en bijtend intelligent en een zoektocht naar helderheid. Thomas van Veen schreef in NRC-Handelsblad (9 oktober): Familie is een groot thema in haar dichtwerk: dan gaat het over de banden met naasten waaraan we een vanzelfsprekende warmte toedichten, maar waarvan Glück juist de scherpte randen toont. Aan de verhoudingen tussen geliefden, tussen kinderen van dezelfde ouders, zit altijd de onzekere schaduwkant van potentieel lijden.

Tot slot nòg een gedicht dat Erik Menkveld in 2004 voor
Raster vertaalde.


De witte roos


Dit is de aarde? Dan
hoor ik hier niet.

Wie ben jij in dat verlichte raam,
overschaduwd nu door de flapperende blaadjes
van de lijsterbes?
Kun jij overleven waar ik het niet haal
tot na de eerste zomer?

De hele nacht bewegen en ruisen de tengere
takken van de boom bij het klaarlichte raam.
Leg me mijn leven eens uit, jij die geen teken geeft,

hoewel ik je aanroep in de nacht:
ik ben niet als jij, ik heb slechts
mijn lichaam als stem, ik kan niet
verdwijnen de stilte in –

en in de kille ochtend drijven
echo’s van mijn stem
over het donkere aardoppervlak,
witheid die gestaag in duister oplost

alsof je uiteindelijk toch een teken gaf
om mij ervan te overtuigen dat jij het hier ook niet redde

of om me te tonen dat jij het licht niet bent waar ik naar riep
maar het zwarte erachter.

Archief 2020