Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2020-1 (A t/m M), 2020-2 (N t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 37 - 133. Alfred Schaffer: Mira Aki!

zaterdag 19 september 2020

ik kan niet slapen 
ijzig nachtlicht houdt mij wakker. 

klim ik uit bed loop in het pikkedonker naar de keuken. 
beer onder mijn arm geklemd. 

het schijnsel en twee schaduwen achter het aanrecht. 

een witte schaduw en een zwarte. 
bezig aan de afwas.

lieve jongen ben je wakker 
schrikt de witte. 

kom eens hier kun je alweer niet slapen 
spreekt de zwarte. 

ik droomde dat ik jullie in mijn eentje moest begraven 
zeg ik niet terwijl ik in mijn ogen wrijf. 

klopt toch ook we zijn morsdood 
er is niets aan de hand 

ga maar weer lekker slapen. 

2020


Alfred Schaffer (1973) vertaalde Els Moors in het Zuid-Afrikaans (hij doceert aan de universiteit van Stellenbosch), maar heeft ook zelf een nieuwe bundel. Titel: wie was ik – strafregels. Als iemand zich de vraag stelt wie hij was, kijkt hij om naar zijn verleden: zijn afkomst, jeugdherinneringen... Zoals in bovenstaand openingsgedicht. Titel: Mira Aki!: Papiaments voor Zie hier! De zwarte schaduw is van zijn Arubaanse moeder; de witte schaduw van zijn Limburgse vader. De wieg van de ik – in dit geval de dichter zelf – stond in Leidschendam.







Hij is dus een gekleurd kind, waarmee de bundel ook een brug slaat naar het racismedebat dat hier de laatste jaren wordt gevoerd, zoals via door de dichter als mogelijk gehouden herinneringen van zijn moeder aan haar werk in een Nederlandse ziekenhuis: 

één keer fluisterde een vrouw u mag mij niet verzorgen, haar huid
was gemaakt van eczeem, haar brein was een bende ze zat vol
met haren en luchtjes. kom ik draai u op uw zij maar ze lispelde u

mag mij niet verzorgen uw handen geven af uw handen geven af u
mag mij niet verzorgen uw handen geven af, blijf met uw gore poten
van mij af zwarte hoer ga lekker bomen klimmen in de rimboe.


De ik vertelt zijn ouders waarom hij (weer) niet kan slapen: ik droomde dat ik jullie in mijn eentje moest begraven. Hij vertelt de lezer bij het binnentreden in zijn poëzie wel alvast hoe het er nu met die ouders voor staat: ze zijn morsdood. Dit was ook een droom, maar nu van de volwassene die droomde hoe hij als kind…

Die ouders zijn morsdood. Die moeder is dat al lang en hij mist herinneringen aan haar; hij mist zelfs haar stem en geeft haar die in de bundel terug. Zoals het heeft kunnen zijn. Dat doet hij geraffineerd en schrijnend, maar ook bijzonder geestig. Eerst de situering schetsen: via acht verslagen van de bijeenkomsten Decorbouwen in het donker voor Dummies; dan beginnen met het fantasierijk inkleuren van haar (en daarmee ook zijn) levensverhaal. Dat gebeurt onder meer binnen het typoscript van een podcast waarin hij met die gestorven moeder in een radio-uitzending zit en haar, aanvankelijk aarzelend, aan het spreken krijgt. Ze blijven U voor elkaar, beseffend dat de tijd voor altijd tussen hen staat. 
In die podcast vertelt zij haar geschiedenis: al jong van Aruba naar Nederland gekomen om hier als verpleegster opgeleid te worden. Ze ontmoet haar latere man, krijgt met hem een zoon – de latere dichter – en eerder een dochter, die als klein kind verdrinkt – een gebeurtenis waar zij niet overheen kan komen.

ik bleef als een rondreizend circus mijn eerste kind zoeken op foto’s
in slootjes rivieren verhalen uw ogen ik was er niet bij toen
het plaatsvond toch heb ik alles gezien ik schreeuwde waar ben je

ik wil naar je toe. 

Dit zijn de feiten die hij als kapstok gebruikt. Zijn ouders bleven niet bij elkaar, vooral als gevolg van het oorlogstrauma waaraan de vader leed. Maar in interviews vertelde Schaffer dat die vader, zij het dus op afstand, nog meemaakte dat zijn eerste bundels verschenen. En die vader had alles bewaard van des dichters jeugd. Dat Schaffer met die jonge jaren als schrijver nog iets moest doen, was wel duidelijk, maar het is zoals met strafregels schrijven: je stelt het uit, hoewel je weet dat je er toch niet onderuit komt. 

Dat resulteerde uiteindelijk in een overweldigende bundel waarin hij speelt met vertelperspectieven – want niet alleen de dichter en de moeder komen aan het woord – en stijlen: het genoemde typscript van een podcast (in vier afleveringen) noemde ik al, maar ook dreigmailtjes, briefjes, lijstjes, prozastukjes, pastiches, een opsporingsbericht, honderd strafregels en nog veel meer. Dat alles binnen een zorgvuldig gekozen raamwerk zonder ook maar een hoofdletter (en titels met alleen maar kapitalen) en vol onderbrekingen – meestal hard cuts – en terugkerende motieven, waarbij steeds duidelijker wordt dat wie was ik niet alleen betrekking heeft op de dichter, maar ook op de moeder voor wie hij dit taalmonument heeft gebouwd. 


WIE WAS IK

1.   ik was mijn bloedeigen moeder en vader.
2.   ik was zogezegd binnen zonder te kloppen.
3.   ik was dag en nacht in de weer.
4.   met pappen en nathouden.
5.   met wassen en strijken.
6.   met hangen en wurgen.
7.   met het huishoudboekje en stofzuigen.
8.   met bijten op mijn tong.

[…]

17.   ik was de donkerbruine vlek in goed gezelschap.

[…]

28.   ik was wel vijftien soorten pillen in het badkamerkastje.
29.   u gelooft mij niet.
30.   nou dan gelooft u me toch niet mij een zorg.
31.   ik was opstandig en wilde de wereld ontdekken. 
32.   nee ik was eenzaam en wilde de wereld ontdekken.
33.   nee ik was blijmoedig en wilde de wereld ontdekken.

[…]

41.   ik was de kwetsende spreekkoren zat.
42.   in de tram en in de supermarkt.
43.   in het atletiekstadion.
44.   in de beleidsdocumenten.
45.   in de wandelgangen.
46.   bij de barbecue in de voortuin van de buren.

[…]

55.   ik was die zwarte op de fiets.
56.   grapje ik kon helemaal niet fietsen!
57.   ik was mijn dode kind.
58.   ik was u helemaal vergeten soms.
59.   nee, dat is niet waar.
60.   ik was het taaie slijm in mijn longen.
61.   ik was de kronkelende wormen in mijn bek voor als u honger had.
62.   dan kwam ik aangevlogen altijd had u honger.
63.   niet normaal was dat.

[…]

68.   ik was goed volk.
69.   ik was nooit zonder werk.
70.   al was ik moe of ziek.
71.   ik was nooit jong.
72.   ik was een donker lichaam dat je uit kon blazen maar ik brandde toch.
73.   ik was ter nagedachtenis een kopie van mijn  lichaam.
74.   ik was niet beroemd maar wie kende mij niet.
75.   heb je snel in een kleine witte gemeente.

[…]

95.   ik was dol op kip met rijst daar kon je me voor wakker maken.
96.   ik was altijd bijna aan de beurt.
97.   ik was er niet zo best aan toe er was niets opgewassen tegen mij.
98.   ik was een vrouw wat
99.   klets ik nou laat mij met rust ik
100. smeek het u.

Archief 2020