Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 34 - [2/5] Marjoleine de Vos: Kinderspel

maandag 24 augustus 2020

Zou je liever doof of blind of niet
meer voelen, zonder reuk of snoep?
Viel ooit de neus, is dat nu jammer.
Hij ruikt zo lekker soep en hoe vergeeld papier
hij weet de wierookgeur van Griekenland
Dus nee hij niet, liever het oog dan
dat alle rimpels kent in het gezicht
de kleur van zalm en winteravondlucht?
Te erg dit spel voor wie met volle hand
het ongemengde deeg in duikt, vervuld
van botergeur en eierstruif en Bachs
verliefde alt: Bist du bei mir, gaan we 
nog niet naar het einde maar vrolijk verder
kreeften eten en van elkaar het zachte vel.
Geen pink kan hier gemist, geen oogopslag.
Elk zintuig kent ons tot de puntjes
baant ons een weg de wereld in
en leidt ons tot verslaving.

2003


Vervolg van gisteren.


Openingsgedicht van Kat van sneeuw (2003), de opvolger van Zeehond graag, haar debuut (2000). Toen dit gedicht zich vier jaar eerder, in 1999, in het literaire tijdschrift Raster liet lezen, was het één regel langer. De zin in rood (zie hieronder) ontbreekt in Kat van sneeuw:

hij weet de wierookgeur van Griekenland
snuift liefde, kerstboom, haring.
Dus nee hij niet, liever het oog dan

Van mij had die mogen blijven staan.





Nog een keuze uit die bundel:


Sneeuwwitje tot de jager

Ik ken die grote eik en deze bocht in de rivier
die hier zo haastig stroomt. Achter ons weet ik
een dode beukenstam vol oesterzwam en ook
toon ik als u dat wilt een cantharellenplek.
Ik kom hier elke dag dus alles is van mij.
Dat zand bakt poffertjes, spaart sporen soms
van ree of zwijn. U moet de jager zijn,
die bloedgeur uit uw tas, ben ik konijn
jaagt u mij op of weg, waarheen, ook terug?
Als u mij uit dit landschap haalt –
wat ben ik dan geweest, zo kort, wie ben ik nog.
Mijn hand frommelt een zakdoek tot een prop
mijn oog knipt steeds weer plaatjes, ik hoor
de wind, een roodborst, ruik het dode blad.
In mijn hoofd zie ik mijn kamer, mama's handen,
ik zie de Aa, die maar blijft stromen
in deze bocht met daar de eik.
Dat heb ik, dat ben ik, voor altijd.


Dat gedicht heb ik altijd heel erg mooi gevonden. De jager is natuurlijk de dood. En het momentum is het levenseinde, waarop de sterfelijke zich de vraag stelt of je de dingen bent die je kent en in je hoofd hebt en… of ze die, naast het stoffelijke, ook van je zullen afnemen.
Sneeuwwitje voelt zich de optelsom van alles wat zij heeft meegemaakt, heeft gezien, geroken, geproefd. En daarmee ben je meteen weer terug bij Kinderspel, dat openingsgedicht.

Wordt vervolgd.

Voor verdere toelichting: lees hier.

Archief 2020